In broad daylight

It happens, time and time again:
faceless father figure takes over, demonlike,
destroying reason and imagined reality,

throwing fishing hooks in exposed flesh,
pulling, pulling till it bleeds,
never risking remorse, or even recognition,

only force, more force, and faces pulled in mocking
doubt; crooked claw, rheumatic fingers,
pouring sour wine in cups, not glasses,

– never glasses, delicate like melting ice,
frosted over like a tongue, blistered
from talking rubbish just to clear the air –

One always needs to remember
life is not that generous, not that
kind when dishing out its chances,

drizzle shrouds our vanity, spite pales cheeks
and freezes hands; the stalker stalked;
we drift towards the fields of green,

march through the woods of disregard,
ride the plains of thirst and hunger,
like a swagman on the run.

Coffee boiled over driftwood fires
bitter and black as love and dreams long lost.
Forgetfulness is just a gift, like forgiveness is

a treasure, never found when looked for,
no matter how accurate the promised map;
paper always yellowed at the edges;

the dreams close in, father figure luring in the shades,
taking all away; the audacity of his authority
proclaiming easy victory.

Cups are empty, faces drawn, yes
not long now before the first peddler
comes to cash in on our guilt.

Current situation, weather report

The sun is about to rise, first
bulldozers are closing in.

Rain fallen from the beginning of time
turns acid before it wastes away.

The road clear now, mud drying,
even the crickets silenced by the break of day

till that, also, wastes away.

Slamming doors, yelling men,
sound of bare feet on half dry earth.

Boots defying all conditions
making marks on human flesh.

The snapping of wood, caving of roofs and,
after some effort, the roar of flames.

Work done, boots returning to engines,
eyes observing retreat through brush.

Mud turns flaky, baked earth
the color of weat.

The sun burning down now
in full force.

We are breaking down the castle

stone by heavy block of stone,
draining the moat till the very last
drop of greygreen water
has evaporated in the lukewarm sun.

Emptying cellars of hardened tar and drums of oil,
find fragments of bones, undetermined,
(could be human, animal or remains of other species),
and a yellowed book of rules (‘thou shalt not’).

On a crumbling wall it is written: ENDURE,
(hard letters, breathing danger; one withdraws)
then vague marks only, followed by a faint
‘will set you free’

Night falls like a rock in a still pond

Frogs barking loudly, like there is no universe
No stars to disperse their eternal dust
No humans claiming victory

Just a night falling in a city,
Weird frog noises from a pond
Some voices, muffled, and a cat
mewing in the scrubs

Too much light still though
No stars, no scars tonight
No universe to belittle with its might
But echo’s, a bang, a violence undeclared

And a night, falling like a rock
A universe like a thousand scars
Fragmented light, dismembered frogs,
And a barking undefined

Talking ’bout a revolution

The boy with the face of a statue
streches his limbs like he’s truly made of marble

The man with the hands of a piano player
draws formats on the smoky air

There is no music, no relief, but for the joker
drumming on the sides of his chair

Two more men, and one woman
holding up all by herself

One of the two, a little older
leans against the wall and smiles,

while the fifth stands orating,
heavy and serious beyond his years.

The woman sits on a sofa, leaning back,
her head colliding with the wall.

The boy, the man, the drummer, the smiling one
and Diogenes move in unision

a pillow, some juice, a warm hand against her cheek,
anything to make her comfortable.

She crumbles, smiles, apologizes for her clumsiness.
The men draw back, shy in an instant,

she says something serious about the weather,
a blush, a hand through hair and

all is forgotten, back to marble and pianoplaying in the air,
fistshaking and smiles against the wall

Drumming like a battlecall
the shadows closing in.

Lulleby for Myanmar

Let’s drown the shadows of darkness
as they lure the light away,
let’s build a fire, out there, at the far end,
where sandy hills attack the rock.

No, we will not talk,
we will not touch.
We will sit and tend the fire.

We will not sing
we will not sleep
till the fire dies and the waters drain away
and darkness disappears as if it never was.

The unraveling

The clouds didn’t move as the sun went down,
the rain didn’t stop as the mud streams grew.
The crowds swelled like dough on heat
and screams were mistaken for outpours of joy.

Love took refuge under stones of age,
no one stopped the raking of the shriveled grass.
Shelters easily blown away by rage
took root in uncharted territory.

She didn’t know what was going on and, frankly,
she had no desire to. He kept tugging at her sleeve,
unable to even comprehend that she had wings.

The winds slowed down to a wondering whisper
as he kept yelling at the top of his long unused voice.
Her sleeve tore as she flew away.

Srinagar

…’In het centrum van de stad zijn overal soldaten: op daken achter zandzakken, achter barricades van plastic, achter prikkeldraad, onder granaatwerende netten; alleen en verloren om de vijftig meter langs de straten. Er worden regelmatig aanslagen gepleegd door jongens op motoren die in het voorbijgaan molotovcocktails of granaten naar om het even welk militair doelwit gooien. De soldaten zijn voortdurend op hun hoede. Ze lijken jong en bang en verdwaald in een conflict dat ouder is dan zijzelf; ze rijden rond, in groepjes en dan vol bravoure, in gepantserde jeeps, in hoge wagens met mitrailleurnesten boven de chauffeurscabine, in open trucks. Aan de rand van de stad liggen de kazernes, aan de weg naar de tuinen die door de Moghulheersers zijn aangelegd. In de heuvels rond de stad wordt de bevolking maar mondjesmaat toegelaten: dat is het leefgebied van militairen en politie.
Abdul wijst me de vervallen huizen van gevluchte of verjaagde hindoes aan. Toen het geweld begon, werden Kashmiri moslims en hindoes tegen elkaar uitgespeeld. Veel hindoes hebben de vallei in doodsangst verlaten. Ze leven nu al jaren in de uitzichtloosheid van vluchtelingenkampen, verteerd door verlangen naar hun verloren paradijs. De lege huizen wachten op terugkeer van hun bewoners. Sommige zijn uitgebrand, andere verkruimelen door verwaarlozing. Op een geblakerd huis zit onheilspellend stil een roofvogel.
Een Indiase vlag hangt slap tegen de pui van een gebouw dat ooit een vakbond huisvestte. Soldaten achter de ramen. Sommige openingen zijn dichtgemaakt met platgeslagen olieblikken. Het blanke metaal schittert in de zon.
Op de plek waar vroeger het India Coffee House stond is nu een luxe broodjes- en gebakzaak. Ook de cliëntèle is veranderd: hippe jongeren eten pizzaslices en gevulde bladerdeegflapjes bij een cappuccino. Vroeger was het India Coffee House een ontmoetingsplaats voor politieke en militante leiders, die er bij potten koffie de toekomst van hun land bespraken. Er liepen obers in livrei rond, met tulbanden op hun hoofd, die je de krant brachten, op tijd de asbak leegden, en regelmatig kwamen vragen of alles naar wens was. Toen de strijd verhardde van discussie naar wapengekletter werd het koffiehuis een doelwit. De oude sfeer is weggevaagd in een golf van aanslagen. Niets is er over, geen obers, geen geroezemoes, geen geritsel van kranten, geen geanimeerde of geagiteerde gesprekken. Ik zit er herinneringen te romantiseren aan een formicatafel bij een zelfbedieningsbuffet, achter koffie uit een papieren bekertje.
In de Jama Mashid is het stil. De vrijdagmoskee is een vierkant gebouw met gras op de binnenplaats en een bassin met water. Een moeder wast er de handen van haar kind. Het complex wordt opgeknapt, de houten plaatjes die het dak bedekten zijn tijdelijk vervangen door ijzeren golfplaten. De muren worden oudroze geschilderd en de enorme houten pilaren opnieuw in de lak gezet. We beklimmen een smal trapje in een hoektoren. De treden zijn glad en bedekt met vogelpoep en verdroogd gras. Op een overloopje dat uitzicht biedt op het moskeeterrein staat een lege Philipsdoos – LET’S MAKE THINGS BETTER.
Rond de moskee is een levendige markt. Nomadenvrouwen verkopen vis uit het meer. Ze lachen en maken vast en zeker grove grappen terwijl ze me hun vissen bijna in het gezicht duwen. Plakkerige handen tegen mijn wangen, armen om mijn schouder voor een foto. Abdul zegt dat iedereen blij is weer eens een wit gezicht te zien. `Ze hopen dat jij een voorbode bent van een nieuwe stroom toeristen zodat ze weer eens echt geld kunnen verdienen.’
Op de markt is het gemoedelijker dan je in een bezette stad verwacht. Namaakbloemen in lawaaierige kleuren zijn er te koop. Een slager zit naast een berg geitenpoten het vlees van een kop te fileren, ogen liggen in een aparte bak, en ik moet geloven dat de hersens echt het lekkerst zijn. Felgekleurde plastic huisraad en serviesgoed in grote stapels opgetast in wel tien kraampjes naast elkaar, met allemaal precies hetzelfde aanbod. In een apart steegje handelen stuurse mannen in strenge vrouwenkleding. De plaatselijke variant van de burqa’s voor de oude vrouwen: zware, dikke lappen met veel horizontale plooien, zodat het kledingstuk als een uitstaande tent van hoofd en schouders hangt. De hijab voor de jongere vrouw. Een hijab is een lange jas en een tweedelige doek die de haren bedekt en het gezicht afschermt. Net als bij de Afghaanse burqa heeft de hoofdtooi een gaaswerkje voor de oogopening. Ik betast een paar gewaden, ze zijn gemaakt van dunne, zwarte, synthetische stof. Ik laat Abdul vragen wat ze kosten.
`Wil je er een kopen?’ vraagt hij verbaasd.
Even twijfel ik: zal ik? Dan schiet Varanasi me in gedachten, waar een enthousiaste koopman me hulde in een zuiver zijden bruidssari, geborduurd met ragfijn gouddraad, en na me van alle kanten bewonderd te hebben, zei dat ik het prachtgewaad toch met carnaval kon dragen. En die sari was nog mooi. Wat zou ik dan met slechtgenaaide synthetische zwarte lappen moeten? Zonde van de pakweg twintig euro die het blijkt te kosten.
Bij lange na niet alle vrouwen zijn op goed islamitische wijze bedekt. Velen dragen de broek-jurk-sjaal combinatie voor vrouwen die een zekere kuisheid willen uitdragen, maar zich niet sluieren. Op de markt zijn volop winkels waar fleurig bedrukte stoffen voor die kleren te koop worden aangeboden. Er zijn groentekarren, theestalletjes, fruitventers, snackverkopers en bakkers. Het is druk en er is geen soldaat te zien. Dit stukje Srinagar is van de burgers. Te krap voor soldaten, te onoverzichtelijk. Te vrolijk ook, te levendig.
We eten aan de straat een traditioneel bruiloftsgerecht: balletjes gemaakt van tot pulp geslagen lamsvlees en kruiden in een saus. In het tweetafelige restaurantje zitten drie jonge mannen. Sinds ik binnen ben zitten ze druk te fluisteren.
Dan komt een van hen overeind, en in de houding staand oreert hij: `Israel very bad. America also very bad. Osama bin Laden very good, best muslim.’
Hij gaat weer zitten en lacht als een tevreden puber.
`Leuke zonnebril heb je,’ zegt een van de andere jongens. ….’

Fragment uit: Geboortegrond, Wereldbibliotheek, 2010

Kashmir

… “We rijden door het gebied rond Tiger Hill, waar in 1999 een burenoorlog werd uitgevochten. Toen in dat jaar de sneeuw smolt, bleek dat Pakistaanse troepen de Line of Control waren overgestoken en posities hadden betrokken vlakbij Kargil. India werd totaal verrast. Pakistan deed alsof zij er niks mee te maken had, dat het ging om Kashmiri militanten, maar al snel werd duidelijk dat de troepen gelieerd waren aan het Pakistaanse leger. Er werd flink gevochten, er vielen doden aan beide kanten, er ontstond een razend mediacircus en er dreigde nucleaire escalatie. Onder internationale druk trok Pakistan zijn troepen terug, en claimde India de overwinning.
In de nasleep van Kargil volgde in de herfst van 1999 een staatsgreep in Pakistan die Musharraf – legerleider en ISI-man, die wordt gezien als de kwade genius achter de oorlog – aan de macht bracht. Ik herinner me de nog grotere militaire aanwezigheid in Leh, de kapotgeschoten huizen in Kargil, het gebombardeerde benzinestation, de kogels die door de nacht floten, en dat een deel van de weg alleen in het donker en zonder licht aan berijdbaar was. Nu zijn de directe sporen van oorlog verdwenen, zijn er duidelijk meer wegen aangelegd in het grensgebied om bij een volgend conflict sneller het zwaardere materieel aan te kunnen voeren. De hoofdweg is de enige geasfalteerde verbinding tussen Srinagar en Leh en dus een strategische slagader voor het gebied.
Het lijkt alsof we door een gemilitariseerde zone rijden, één groot legerkamp, met her en der een burgerlijke enclave, zoals Drass. Drass is de tweede koudste plek op aarde die permanent bewoond wordt. Het was er ooit min zestig graden, vertelt een bord de voorbijganger; kouder is het alleen in Siberië. Er is een oorlogsmonument, voor de oorlog in 1999, toen Drass midden in de frontlinie lag. Op de toegangspoort staat: I ONLY REGRET I HAVE BUT ONE LIFE TO LAY DOWN. Even verderop een reclamebord met: HOW CAN MAN DIE BETTER, THAN FACING FEARFUL ODDS. Zo midden in de onherbergzaamste bergen, waar de armoe en de achterstand uit de grond dampen en in de gezichten gekerfd staan; waar niemand bij volle verstand en met een werkelijk alternatief zou wonen, maken de spreuken een deerniswekkende indruk. Het doet me denken aan de oorlog op de Siachengletsjer, in Noord-Ladakh, waar Pakistani en Indiërs tegenover elkaar staan op een ijspiek, waar meer soldaten sneuvelen door onderkoeling of verdwijning in een gletsjerspleet dan door vijandelijk vuur, en meer manschappen gewond raken door bevriezing dan door kogels.

De weg omhoog naar de Zojila, de pas die Ladakh van Kashmir scheidt, gaat door een steeds smallere kloof. Voor we beginnen aan de laatste klim naar de pas moeten we ons registreren. Achter een tafel zitten drie dik aangeklede mannen te wachten op voorbijgangers die niet van het leger zijn. Als hun enthousiasme bij ons verschijnen een graadmeter is, zijn dat er niet veel. We maken een praatje over de kou – als de zon achter de bergen zakt, vriest het hier gelijk al flink; over hoe lang de mannen nog moeten – een week of wat, verwachten ze; over de verveling die ze voelen, zo met z’n drieën in een tent, met alleen marmotten en arenden als gezelschap. Ik vul allerlei gegevens in en druk de mannen de hand. Ze waarschuwen nog: wees voorzichtig op de pas.
De Zojila zelf is akelig steil en leidt ons over een op het oog loodrechte wand door een diepe kloof. Er zijn tegenwoordig twee wegen, zodat je niet meer hoeft te wachten tot de weg vrijgegeven wordt voor of omhoog- of omlaaggaand verkeer.
We picknicken bij een rivier, bespied door soldaten die aan de andere kant van de weg hebben postgevat op een grote rots, gewapend met een mitrailleur op een statief en een verrekijker. Ze houden de beboste hellingen in de gaten, bedacht op subversieve acties. Over de weg rijdt een lang lint van trucks met materieel en troepen, in beide richtingen. Soldaten fluiten en joelen als ze ons in de gaten krijgen. De wintertrek is begonnen, het is september en de zomerkampementen worden ontmanteld in afwachting van de eerste sneeuw.
We rijden Srinagar binnen aan de kant van de oude stad, en gaan logeren in een hotelletje met parkeergelegenheid aan de boulevard, bij Nehru Park, waar de watergeur van het meer te ruiken is. Vanuit de moskee op de hoek van de straat klinken, als het donker is geworden, een uur of wat mannenstemmen die bidden en reciteren. Het is Ramadan, tijd voor bezinning. Voor de ingang van theehuisjes zijn lappen gespannen, zodat degenen die niet vasten wat kunnen drinken buiten het zicht van hen die niets nemen van zonsopgang tot zonsondergang. Aan de boulevard worden bij het vallen van de schemering de shikara’s afgemeerd, en krijgen de roeiers een melkachtige drank en stukjes appel aangeboden zodat ze gezamenlijk het vasten kunnen breken. ‘s Avonds verschijnen er wel stalletjes die kebab of gebakken vis verkopen, maar niet meer direct aan de boulevard tegenover Nehru Park, waar vroeger allerlei kraampjes stonden en waar je flaneren en slenteren kon. Er staat nu een grote gepantserde wagen met een wapen op zijn rug de politiepost te bewaken, en de kebabroosteraars zijn naar verder uit het centrum gebannen. Misschien vanwege Ramadan, misschien door de nasleep van de onrusten die gepaard gingen met het conflict over de landtoewijzing aan de Amarnath Shrine Board. Misschien is het business as usual. De agenten voor het politiebureau geven me geen antwoord, de mannen die overdag de shikara’s roeien halen hun schouders op. De man bij wie we gebakken vis kopen lacht en zegt: `This is Srinagar, my beautiful city’, en doet er verder ook het zwijgen toe. …”

Fragment uit: Geboortegrond, Wereldbibliotheek, 2010