Srinagar

…’In het centrum van de stad zijn overal soldaten: op daken achter zandzakken, achter barricades van plastic, achter prikkeldraad, onder granaatwerende netten; alleen en verloren om de vijftig meter langs de straten. Er worden regelmatig aanslagen gepleegd door jongens op motoren die in het voorbijgaan molotovcocktails of granaten naar om het even welk militair doelwit gooien. De soldaten zijn voortdurend op hun hoede. Ze lijken jong en bang en verdwaald in een conflict dat ouder is dan zijzelf; ze rijden rond, in groepjes en dan vol bravoure, in gepantserde jeeps, in hoge wagens met mitrailleurnesten boven de chauffeurscabine, in open trucks. Aan de rand van de stad liggen de kazernes, aan de weg naar de tuinen die door de Moghulheersers zijn aangelegd. In de heuvels rond de stad wordt de bevolking maar mondjesmaat toegelaten: dat is het leefgebied van militairen en politie.
Abdul wijst me de vervallen huizen van gevluchte of verjaagde hindoes aan. Toen het geweld begon, werden Kashmiri moslims en hindoes tegen elkaar uitgespeeld. Veel hindoes hebben de vallei in doodsangst verlaten. Ze leven nu al jaren in de uitzichtloosheid van vluchtelingenkampen, verteerd door verlangen naar hun verloren paradijs. De lege huizen wachten op terugkeer van hun bewoners. Sommige zijn uitgebrand, andere verkruimelen door verwaarlozing. Op een geblakerd huis zit onheilspellend stil een roofvogel.
Een Indiase vlag hangt slap tegen de pui van een gebouw dat ooit een vakbond huisvestte. Soldaten achter de ramen. Sommige openingen zijn dichtgemaakt met platgeslagen olieblikken. Het blanke metaal schittert in de zon.
Op de plek waar vroeger het India Coffee House stond is nu een luxe broodjes- en gebakzaak. Ook de cliëntèle is veranderd: hippe jongeren eten pizzaslices en gevulde bladerdeegflapjes bij een cappuccino. Vroeger was het India Coffee House een ontmoetingsplaats voor politieke en militante leiders, die er bij potten koffie de toekomst van hun land bespraken. Er liepen obers in livrei rond, met tulbanden op hun hoofd, die je de krant brachten, op tijd de asbak leegden, en regelmatig kwamen vragen of alles naar wens was. Toen de strijd verhardde van discussie naar wapengekletter werd het koffiehuis een doelwit. De oude sfeer is weggevaagd in een golf van aanslagen. Niets is er over, geen obers, geen geroezemoes, geen geritsel van kranten, geen geanimeerde of geagiteerde gesprekken. Ik zit er herinneringen te romantiseren aan een formicatafel bij een zelfbedieningsbuffet, achter koffie uit een papieren bekertje.
In de Jama Mashid is het stil. De vrijdagmoskee is een vierkant gebouw met gras op de binnenplaats en een bassin met water. Een moeder wast er de handen van haar kind. Het complex wordt opgeknapt, de houten plaatjes die het dak bedekten zijn tijdelijk vervangen door ijzeren golfplaten. De muren worden oudroze geschilderd en de enorme houten pilaren opnieuw in de lak gezet. We beklimmen een smal trapje in een hoektoren. De treden zijn glad en bedekt met vogelpoep en verdroogd gras. Op een overloopje dat uitzicht biedt op het moskeeterrein staat een lege Philipsdoos – LET’S MAKE THINGS BETTER.
Rond de moskee is een levendige markt. Nomadenvrouwen verkopen vis uit het meer. Ze lachen en maken vast en zeker grove grappen terwijl ze me hun vissen bijna in het gezicht duwen. Plakkerige handen tegen mijn wangen, armen om mijn schouder voor een foto. Abdul zegt dat iedereen blij is weer eens een wit gezicht te zien. `Ze hopen dat jij een voorbode bent van een nieuwe stroom toeristen zodat ze weer eens echt geld kunnen verdienen.’
Op de markt is het gemoedelijker dan je in een bezette stad verwacht. Namaakbloemen in lawaaierige kleuren zijn er te koop. Een slager zit naast een berg geitenpoten het vlees van een kop te fileren, ogen liggen in een aparte bak, en ik moet geloven dat de hersens echt het lekkerst zijn. Felgekleurde plastic huisraad en serviesgoed in grote stapels opgetast in wel tien kraampjes naast elkaar, met allemaal precies hetzelfde aanbod. In een apart steegje handelen stuurse mannen in strenge vrouwenkleding. De plaatselijke variant van de burqa’s voor de oude vrouwen: zware, dikke lappen met veel horizontale plooien, zodat het kledingstuk als een uitstaande tent van hoofd en schouders hangt. De hijab voor de jongere vrouw. Een hijab is een lange jas en een tweedelige doek die de haren bedekt en het gezicht afschermt. Net als bij de Afghaanse burqa heeft de hoofdtooi een gaaswerkje voor de oogopening. Ik betast een paar gewaden, ze zijn gemaakt van dunne, zwarte, synthetische stof. Ik laat Abdul vragen wat ze kosten.
`Wil je er een kopen?’ vraagt hij verbaasd.
Even twijfel ik: zal ik? Dan schiet Varanasi me in gedachten, waar een enthousiaste koopman me hulde in een zuiver zijden bruidssari, geborduurd met ragfijn gouddraad, en na me van alle kanten bewonderd te hebben, zei dat ik het prachtgewaad toch met carnaval kon dragen. En die sari was nog mooi. Wat zou ik dan met slechtgenaaide synthetische zwarte lappen moeten? Zonde van de pakweg twintig euro die het blijkt te kosten.
Bij lange na niet alle vrouwen zijn op goed islamitische wijze bedekt. Velen dragen de broek-jurk-sjaal combinatie voor vrouwen die een zekere kuisheid willen uitdragen, maar zich niet sluieren. Op de markt zijn volop winkels waar fleurig bedrukte stoffen voor die kleren te koop worden aangeboden. Er zijn groentekarren, theestalletjes, fruitventers, snackverkopers en bakkers. Het is druk en er is geen soldaat te zien. Dit stukje Srinagar is van de burgers. Te krap voor soldaten, te onoverzichtelijk. Te vrolijk ook, te levendig.
We eten aan de straat een traditioneel bruiloftsgerecht: balletjes gemaakt van tot pulp geslagen lamsvlees en kruiden in een saus. In het tweetafelige restaurantje zitten drie jonge mannen. Sinds ik binnen ben zitten ze druk te fluisteren.
Dan komt een van hen overeind, en in de houding staand oreert hij: `Israel very bad. America also very bad. Osama bin Laden very good, best muslim.’
Hij gaat weer zitten en lacht als een tevreden puber.
`Leuke zonnebril heb je,’ zegt een van de andere jongens. ….’

Fragment uit: Geboortegrond, Wereldbibliotheek, 2010

Kashmir

… “We rijden door het gebied rond Tiger Hill, waar in 1999 een burenoorlog werd uitgevochten. Toen in dat jaar de sneeuw smolt, bleek dat Pakistaanse troepen de Line of Control waren overgestoken en posities hadden betrokken vlakbij Kargil. India werd totaal verrast. Pakistan deed alsof zij er niks mee te maken had, dat het ging om Kashmiri militanten, maar al snel werd duidelijk dat de troepen gelieerd waren aan het Pakistaanse leger. Er werd flink gevochten, er vielen doden aan beide kanten, er ontstond een razend mediacircus en er dreigde nucleaire escalatie. Onder internationale druk trok Pakistan zijn troepen terug, en claimde India de overwinning.
In de nasleep van Kargil volgde in de herfst van 1999 een staatsgreep in Pakistan die Musharraf – legerleider en ISI-man, die wordt gezien als de kwade genius achter de oorlog – aan de macht bracht. Ik herinner me de nog grotere militaire aanwezigheid in Leh, de kapotgeschoten huizen in Kargil, het gebombardeerde benzinestation, de kogels die door de nacht floten, en dat een deel van de weg alleen in het donker en zonder licht aan berijdbaar was. Nu zijn de directe sporen van oorlog verdwenen, zijn er duidelijk meer wegen aangelegd in het grensgebied om bij een volgend conflict sneller het zwaardere materieel aan te kunnen voeren. De hoofdweg is de enige geasfalteerde verbinding tussen Srinagar en Leh en dus een strategische slagader voor het gebied.
Het lijkt alsof we door een gemilitariseerde zone rijden, één groot legerkamp, met her en der een burgerlijke enclave, zoals Drass. Drass is de tweede koudste plek op aarde die permanent bewoond wordt. Het was er ooit min zestig graden, vertelt een bord de voorbijganger; kouder is het alleen in Siberië. Er is een oorlogsmonument, voor de oorlog in 1999, toen Drass midden in de frontlinie lag. Op de toegangspoort staat: I ONLY REGRET I HAVE BUT ONE LIFE TO LAY DOWN. Even verderop een reclamebord met: HOW CAN MAN DIE BETTER, THAN FACING FEARFUL ODDS. Zo midden in de onherbergzaamste bergen, waar de armoe en de achterstand uit de grond dampen en in de gezichten gekerfd staan; waar niemand bij volle verstand en met een werkelijk alternatief zou wonen, maken de spreuken een deerniswekkende indruk. Het doet me denken aan de oorlog op de Siachengletsjer, in Noord-Ladakh, waar Pakistani en Indiërs tegenover elkaar staan op een ijspiek, waar meer soldaten sneuvelen door onderkoeling of verdwijning in een gletsjerspleet dan door vijandelijk vuur, en meer manschappen gewond raken door bevriezing dan door kogels.

De weg omhoog naar de Zojila, de pas die Ladakh van Kashmir scheidt, gaat door een steeds smallere kloof. Voor we beginnen aan de laatste klim naar de pas moeten we ons registreren. Achter een tafel zitten drie dik aangeklede mannen te wachten op voorbijgangers die niet van het leger zijn. Als hun enthousiasme bij ons verschijnen een graadmeter is, zijn dat er niet veel. We maken een praatje over de kou – als de zon achter de bergen zakt, vriest het hier gelijk al flink; over hoe lang de mannen nog moeten – een week of wat, verwachten ze; over de verveling die ze voelen, zo met z’n drieën in een tent, met alleen marmotten en arenden als gezelschap. Ik vul allerlei gegevens in en druk de mannen de hand. Ze waarschuwen nog: wees voorzichtig op de pas.
De Zojila zelf is akelig steil en leidt ons over een op het oog loodrechte wand door een diepe kloof. Er zijn tegenwoordig twee wegen, zodat je niet meer hoeft te wachten tot de weg vrijgegeven wordt voor of omhoog- of omlaaggaand verkeer.
We picknicken bij een rivier, bespied door soldaten die aan de andere kant van de weg hebben postgevat op een grote rots, gewapend met een mitrailleur op een statief en een verrekijker. Ze houden de beboste hellingen in de gaten, bedacht op subversieve acties. Over de weg rijdt een lang lint van trucks met materieel en troepen, in beide richtingen. Soldaten fluiten en joelen als ze ons in de gaten krijgen. De wintertrek is begonnen, het is september en de zomerkampementen worden ontmanteld in afwachting van de eerste sneeuw.
We rijden Srinagar binnen aan de kant van de oude stad, en gaan logeren in een hotelletje met parkeergelegenheid aan de boulevard, bij Nehru Park, waar de watergeur van het meer te ruiken is. Vanuit de moskee op de hoek van de straat klinken, als het donker is geworden, een uur of wat mannenstemmen die bidden en reciteren. Het is Ramadan, tijd voor bezinning. Voor de ingang van theehuisjes zijn lappen gespannen, zodat degenen die niet vasten wat kunnen drinken buiten het zicht van hen die niets nemen van zonsopgang tot zonsondergang. Aan de boulevard worden bij het vallen van de schemering de shikara’s afgemeerd, en krijgen de roeiers een melkachtige drank en stukjes appel aangeboden zodat ze gezamenlijk het vasten kunnen breken. ‘s Avonds verschijnen er wel stalletjes die kebab of gebakken vis verkopen, maar niet meer direct aan de boulevard tegenover Nehru Park, waar vroeger allerlei kraampjes stonden en waar je flaneren en slenteren kon. Er staat nu een grote gepantserde wagen met een wapen op zijn rug de politiepost te bewaken, en de kebabroosteraars zijn naar verder uit het centrum gebannen. Misschien vanwege Ramadan, misschien door de nasleep van de onrusten die gepaard gingen met het conflict over de landtoewijzing aan de Amarnath Shrine Board. Misschien is het business as usual. De agenten voor het politiebureau geven me geen antwoord, de mannen die overdag de shikara’s roeien halen hun schouders op. De man bij wie we gebakken vis kopen lacht en zegt: `This is Srinagar, my beautiful city’, en doet er verder ook het zwijgen toe. …”

Fragment uit: Geboortegrond, Wereldbibliotheek, 2010

Het ligt open

Al maanden nu ligt mijn straat open, eerst het stuk van de markt tot aan de leukste boekwinkel van West (Sterre der Zee), nu het gedeelte waar ik aan woon, en daarna volgt nog het laatste deel. Het gaat allemaal op z’n elf-en-dertigst, het duurt zo’n beetje tot de zomer voor de boel weer lekker aan kant is. Niet dat er niet gestaag doorgewerkt wordt, heus wel, maar het vordert gewoon niet snel. Eerst wordt de straat opengegooid omdat de elektriciteit vernieuwd moet worden. Dan gaat de straat weer dicht, om opnieuw opengemaakt te worden, nu om de riolering te vernieuwen. Bij vorst of echt ontij werkt men niet.
Voor elke klus komen andere ZZP’ers in actie, onder verschillende aannemers.
(Tijdens het werk aan het eerste gedeelte van de straat raakten twee werkmannen gewond omdat een graafmachine een stroomkabel raakte, waarop een ontploffing volgde. Een van de mannen werd met zware brandwonden naar het ziekenhuis gebracht. Dat ongeluk voel je een beetje natrillen als je vloer beweegt onder de pressie van de langsrijdende rupsbanden).
Sinds kort staat er, pal voor mijn raam, een pomp te pompen om water af te wateren. Dat is overdag best vervelend, erg wordt het als het donker is, en de doorgaans troostende stilte van de nacht wordt verstoord door luidruchtig gepomp, gezuig en gerochel van water dat wordt afgevoerd, geluiden die met gemak tot achter in het huis doordringen, ondanks de dubbele ramen.
Overal staan hekken, veel hekken, en op de te smalle stroken die als stoep resten liggen wiebelende ijzeren of stalen platen in de modder. Bij een van mijn buren staat een schaftkeet bijkans in zijn voorkamer, je moet tussen raam en keet voorbijschuiven om op het volgende stuk stoep te geraken. (Mijn hond moet eerst, of ik, samen tegelijk gaat niet).
Het is afzien.
Maar als het goed is en we tijd van leven hebben, krijgen we er een fraaie straat voor terug, met minder auto’s, meer fietsparkeerruimte, veel meer groen en toekomstbestendige regenwaterafdrijving.

(elf-en-dertigst: Volgens de verklaring van taalkundige F.A. Stoett in diens werk Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) had op zijn elfendertigst te maken met de trage wijze waarop de Staten van Friesland, bestaande uit de afgevaardigden van 11 steden en 30 grietenijen, overlegden.)

Een vroege Christmas carol

Voilà: een ‘stel je voor er komt oorlog en niemand gaat er naar toe’ idee: stel dat iedereen het bedrag dat hij of zij gaat spenderen aan het komende kerstdiner, weg geeft – let wel, het volle pond, zonder smokkel – en van het bedrag dat omwille van ‘vrede op aarde en in de mensen een welbehagen’ zou zijn geschonken aan een of ander goed doel, zelf eenvoudig doch voedzaam kerstdineert.

Want laten we wel zijn: van zo’n opgefokt kerstdiner zit iedereen vooral onaangenaam vol, en het ter tafel aangeschoven gezelschap houdt meestal ook niet over (denk die oom die na elk glas wijn rechtser ratelt, dat koket babbelende FvD nichtje en die tuttebel van een schoonzus, pfff); en aan hongerige, verarmde stad- en landgenoten geen gebrek.
Toegegeven, het is minder lief en naïef als die over oorlog – ik herinner me een zoete poster van een klein meisje met een emmertje op iets zanderigs -, maar het idee is eenvoudiger uitvoerbaar: je hebt het namelijk zelf in de hand, als je maar wilt.

Elk jaar, als de Sinterklaaskoophausse nog maar net voorbij is, begint elke kleinhandelaar en grootgrutter hier ten lande uit te pakken met allerlei overheerlijks in kerstsfeer. Dit jaar wordt er zelfs onomwonden gepleit voor een hele maand lang feest, want december is ‘gezellig’ en waarom die knusse tijd beperken tot twee dagen, als je de hele maand kan smikkelen en smullen? Genieten!
Tegelijk stoffen we ons gevoel voor de medemens af, want in de ‘donkere dagen’ dienen we onze compassie en onze empathie de vrije loop te laten, aangewakkerd door het kindeke Jezus in het kribje in ’t strooi. (‘het hagelt en tsneeuwde en twas er zo koud…’).
We stromen over van meelij met de minderbedeelden….

Laat ons ont-Scroogen.
Laten we niet wachten tot we onder die boom zitten. Laat vrijgevigheid niet afhangen van ‘Christmas passed’ of ‘Christmas yet to come’; zodat we niet pas nadat we in een aan ons geestesoog voorbijtrekkend filmpje hebben gezien hoe ellendig de toekomst kan zijn als we niet delen, die vette kalkoen bij Tiny Tim laten bezorgen.
Ik vind het best als het uit verlicht eigenbelang is, maar geef eens echt iets weg, iets wat je voelt, iets wat je mist.
Bijvoorbeeld aan de ‘Sociale Kruidenier’, waar mensen onder het bestaansminimum boodschappen zoals koffie, olie, shampoo of wasmiddel voor sterk gereduceerde prijzen kunnen kopen, zodat er ook voor voedselbankpakketontvangers nog eens wat te kiezen valt (http://www.socialekruidenier.nl/donaties); of aan één van de vele organisaties – er is er altijd één bij u in de buurt – die er met de feestdagen voor zorgen dat dak- en thuislozen eens wat anders in de buik krijgen dan soep. Of geef gewoon een AH kerstdinerbox, of een box van een andere grutter, aan iemand waarvan je weet dat het een feestelijke afwisseling is voor een dieet van brood-met-pindakaas en peperkoek, omdat dat zo goed vult. (Bestellen online mogelijk, dus anoniem laten bezorgen kan).

En als je dan toch gehecht bent aan je gerookte eendenpaté met portglazuur, geconfijte kwarteleitjes en vijgen-truffelmousse op een bedje van veldsla en jonge andijvie, dan durf ik wel te stellen dat je, wanneer je dat serveert, als voorgerechtje, je meer dan genoeg hebt om het financiële equivalent van die buitenissigheid weg te schenken. Desnoods eet je dan als hoofdgerecht gewoon lekker boerenkool.


(foto: de familie Cratchit aan het kerstdiner)

Femke, de boerka en de wet

De afgelopen jaren werkte ik in Myanmar, een land dat niet bepaald een stralend voorbeeld is van een rechtsstaat waar iedereen gelijk is voor de wet en waar wetten zonder aanziens des persoons worden uitgevoerd. In de gesprekken die ik daar voerde met activisten, ging het steevast over de rule of law, de rechtsstaat als basis voor vrijheid, gelijkheid en broederschap. Daar lijkt in eerste instantie weinig op af te dingen, maar al debatterende en onderzoekende kwamen mijn Myanmarese collega’s er allengs achter dat een rechtsstaat vraagt om rechtvaardige wetten, want, zo redeneerden ze, wat heeft het voor zin om je aan wetten te onderwerpen die je in angstige geknechtheid houden als je je aan een dictatuur aan het ontworstelen bent.
De campagnes die we daarop ontwierpen gingen over de noodzaak van rechtvaardige wetten, wetten die gemaakt waren als ondersteuning voor het grote verlangen naar vrijheid, gelijkheid, broederschap en rechtvaardigheid voor iedereen. Slaafse gehoorzaamheid aan onrechtvaardige wetten moest worden gekeerd met geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid.

Ik moest opnieuw aan deze discussies denken door de consternatie die burgemeester Halsema heeft veroorzaakt door te stellen dat het niet bij Amsterdam past om vrouwen met een boerka uit de tram te halen, en dat Amsterdam wat haar betreft het boerkaverbod (wet gedeeltelijk verbod gezicht bedekkende kleding) niet zal handhaven. Natuurlijk is de Nederlandse situatie niet te vergelijken met die in Myanmar. ‘Onze’ wetten worden gemaakt door een democratisch gekozen parlement en uitgevoerd door een apparaat dat min of meer transparant werkt en ter verantwoording kan worden geroepen. Ook dienen bestuurders zich aan de wet te houden en kunnen ze niet naar eigen inzicht grasduinen in de wetten om te zien welke ze willen uitvoeren en welke niet.

En toch blijft het knagen, dat boerkaverbod. Want wat als je het legt langs de meetlat voor rechtvaardige wetten? Is het rechtvaardig om pakweg 400 (en dat is een hele ruime schatting) burgers in Nederland het recht zich te kleden zoals ze dat wensen te ontzeggen omdat we gewend zijn geraakt aan terminologie als ‘kopvodden’ en ‘zandvrouwtjes’? Omdat het lekker makkelijk scoort bij het steeds rechtser wordende deel van het electoraat, en ook de gematigder partijen daar niet ongevoelig voor blijken, ondanks de mooipraterij over emancipatie van de moslima en dat we in Nederland allemaal meedoen; en dat meedoen nou eenmaal niet kan in al die lappen en dat de wet toch ook bivakmutsen en integraalhelmen verbiedt? Alsof je je kind van de crèche gaat halen met een bivakmuts aan, of in de wachtkamer van de dokter je integraalhelm lekker ophoudt.

Is het rechtvaardig om op basis van antipathie tegen een levensstijl de daarbij horende onwelgevallige kleding in de openbare ruimte te beboeten met maximaal € 410? Of is het toch de plicht van elke Nederlander, en dus ook van elke bestuurder, om zich te verzetten tegen onrechtvaardige maatregelen? Om te zeggen: niet onder mijn verantwoordelijkheid?
Een rechtsstaat heeft wetten nodig die bijdragen aan een rechtvaardige samenleving voor iedereen, met respect voor diversiteit en individuele keuzevrijheid die geen aantoonbare bedreiging vormt voor de samenleving. Iedere Nederlander heeft het recht om zich niet neer te leggen bij onrechtvaardige maatregelen, en zich vreedzaam te verzetten. Dat is het fundament van een vrije maatschappij.

(ook gepubliceerd op Joop.nl als ‘Bestuurder hoeft zich niet neer te leggen bij onrechtvaardige maatregelen’ )

Een Amsterdams fietsenrek

Er viel een enveloppe van de Gemeente Amsterdam op de mat. In de enveloppe zat een brief, die op juichende toon aankondigde dat er geparticipeerd mocht worden: `Gefeliciteerd! Uw straat is uitgekozen om mee te denken en werken aan een nieuw Amsterdams fietsenrek. Uw mening telt!’ Ik kreeg direct associaties met de gillende keukenmeiden en –jongens die postcodeloterijen en andere prijspakkers aankondigen, maar voelde me desondanks toch een beetje een winnaar.

Meedenken over een nieuw fietsenrek, dat was nog eens een buitenkans op participatiegebied. Met gretigheid las ik de brief verder. Er zijn in Amsterdam meer fietsen dan inwoners, en dat geeft overlast. Een Amsterdams fietsenrek voor woonstraten moet die overlast verminderen. Mijn straat is uitverkoren als proefdomein. Er worden vier verschillende rekken geplaatst. Het is niet de bedoeling dat we uit die vier rekken het best bevallende rek kiezen (`U kunt dus geen rek kiezen’). Van ons bewoners wordt gevraagd onze ideeën, meningen en indrukken met betrekking tot de positieve en de negatieve kanten van alle vier de rekken met de Gemeente te delen. Hoe? Zowel schriftelijk, digitaal als mondeling. Ok, hoe dan? Daarover worden we nog verder geïnformeerd.

Omdat de rekken die er nu staan – en die volgens mij slagen in wielen veroorzaken door te weinig diepte in de gleuf voor het voorwiel en te weinig ruimte voor de fietsen met hekwerken, manden of kisten voor het stuur, waardoor ook in de fietsenrekken verdringing ontstaat – die rekken dus, worden verwijderd. Staat je fiets er nog in bij verwijdering, dan wordt die zonder pardon afgevoerd naar het Fietsdepot, waar hij à raison van 25 euro weer opgehaald kan worden.

Afsluitend wordt in de brief alvast het bedankje van de gemeente voor de ideeën, meningen en indrukken die wij gaan delen aangekondigd: op 22 september is het Nationale Burendag, en op die dag organiseert de gemeente `van 09:30 tot 11:30 een straatontbijtje’. Ook is en dan gelegenheid verder te spreken over `uw ervaring met de verschillende rekken en ideeën over een Amsterdams fietsenrek.’ Komt allen, want `de persoon met de beste input voor het Amsterdamse fietsenrek krijgt tijdens het ontbijt een leuk presentje’. Vanwege de overlast die het rekkengebeuren met zich mee kan brengen is het `ontbijtje’ er ook als beloning voor ons begrip.

De brief, opgesteld door de assistent programmamanager fietsparkeren ten behoeve van de Portefeuillehouder openbare ruimte eindigt blij met; `Zet u de datum van het straatontbijtje alvast in uw agenda?’

Het nieuwe college van Amsterdam gaat werk maken van meer burgerparticipatie en directere betrokkenheid van burgers bij besluitvorming.  Ik ben benieuwd of dat gaat lukken zonder tegelijkertijd op de hurken te gaan zitten én op de burger neer te kijken.

‘Goed volk’

De dag is nog niet eens echt begonnen als ik lees dat Klaas Dijkhoff, fractievoorzitter van de VVD, gisteren op het congres van zijn partij een speech heeft gehouden. Dijkhoff, die er toch een beetje uitziet als een moderne parodie van een 19de eeuwse liberaal, en die een mudzak goodwill heeft vergaard door ooit het spelletje ‘de Slimste Mens’ te winnen, speechte dat de bijstandsuitkering wat hem betreft best omlaag kan. Uitkeringstrekkers zouden zich er meer van bewust moeten zijn dat hun uitkering opgebracht wordt door de hard werkende, belastingbetalende Nederlander. En dat ze er dus best iets voor terug kunnen doen. Dan worden ze weer ‘goed volk’, volk dat de Nederlandse waarden onderschrijft en zich nuttig maakt.

Vluchtelingen, zo oreert Dijkhoff in dezelfde voordracht, mogen hier verblijven om op adem te komen, maar ze moeten niet gaan denken dat ze zomaar permanent kunnen worden toegelaten. Na een aantal jaren ademhappen, moeten ze het veld ruimen voor anderen.

Terwijl ik met mijn hond door het park wandel probeer ik van de schrik te bekomen. Ik hoop op fake news, maar bij thuiskomt worden de berichten bevestigd en alle hoop de bodem in geslagen.

Bij een kop koffie neem ik de verdere Nieuwzen van de Dag: Bas Heijne stopt met zijn column. Eeuwig zonde, zijn stukjes zijn een helder houvast in deze duistere tijden. [Mijn buren zijn inmiddels wakker en plegen met hun geluidsoffensief een aanslag op mijn tolerantie. Gelukkig is het deze ochtend iets dat lijkt op opera in plaats van het gebruikelijke gedreun en gedram van techno, hiphop, rap of een zenuwslopende beat uit een doosje.]

Mijn humeur wordt beter wanneer ik lees dat Pegida in Utrecht geen varkens mag roosteren voor moskeeën tijdens de ramadan, en ondanks mijzelf verbaas ik me toch weer over het gegeven dat er dus mensen bestaan die het roosteren van varkens voor moskeeën tijdens de ramadan een goed idee vinden. Als toetje neem ik een interview met de gevallen engel Anne Fleur tot me, die van links activistische dappere jongedame nu een thuiszittend slachtoffer is van de te grote druk die op haar is uitgeoefend door zowel rechts als links, en die het nodig vindt te melden dat ze troost zocht en vond bij een aanhanger van het Forum voor Democratie met wie ze in de liefde is gevallen. Hetzelfde Forum voor Democratie dat de aanstichter was van alle ellende die haar de hals heeft gebroken. Met foto’s die getuigen van haar gekweldheid. Stockholmsyndroom? Ik had haar, als ik had mogen kiezen, deze keer toch echt beschermd. Tegen zichzelf, en tegen de rest.

Ploumen bij Jinek

Lilianne Ploumen zat maandagavond bij Eva Jinek aan tafel. Ze was in Bangladesh geweest, waar zo’n 650.000 Rohingya vluchtelingen opeengepakt zitten in onhoudbare omstandigheden. Wat ze gezien en gehoord had was verschrikkelijk: vermoorde baby’s, opgejaagde bejaarden, groepsverkrachting. Mensonterend.

Sinds eind augustus vorig jaar een groep militante Rohingya grensposten aanvielen, voert het leger van Myanmar een ‘schoonmaakactie’ uit, geholpen door burgermilities en gesteund door ultra-nationalistische boeddhistische monniken die beweren dat er in Myanmar geen plaats is voor moslims. De wereld reageert met verbijstering en woede; woede die zich vooral richt op Aung San Suu Kyi, die de Rohingya niet beschermt, en door haar hardnekkig zwijgen meehelpt aan hun uitstoting.
Ook Lilianne Ploumen is ontsteld: Rohingya vertelden haar dat ze bang zijn voor boeddhistische monniken, en dat boeddhisten dus helemaal niet vredelievend zijn, zoals wij in Nederland allemaal denken. Dat de boeddhisten in Myanmar streven naar een ‘zuivere’ staat en dat daarin geen plaats is voor moslims en andere minderheden. Volgens Ploumen willen wij graag op boeddhisten lijken, maar, zo houdt ze ons voor, op Birmese boeddhisten wil je echt niet lijken!
Het naïeve vooroordeel dat boeddhisten vredelievend zijn koppelen aan de suggestie van ontaardheid van Birmese boeddhisten is op zijn zachts gezegd ongenuanceerd. Ja, er zijn ultra-nationalistische monniken in Myanmar die haat zaaien tegen moslims. Ja, er zijn boeddhisten betrokken bij milities die de Rohingya verdrijven en hun dorpen in brand steken. Maar om alle boeddhisten in Myanmar te betichten van concrete steun voor geweld tegen Rohingya is een valse voorstelling van zaken. Bovendien is het ‘framen’ van de complexe situatie in Myanmar als een religieus conflict weinig constructief.

Niet alleen de Birmese boeddhisten voldoen niet aan Ploumen’s verwachtingen, ze is ook zwaar teleurgesteld in Aung San Suu Kyi. Analisten mogen dan beweren dat niet Aung San Suu Kyi, maar het leger de werkelijke macht in Myanmar in handen heeft, of dat ‘de Dame’ nu zwijgt om straks sterker terug te komen, maar dat gelooft de voormalige minister niet zo. Ze vindt dat Aung San Suu Kyi haar mond open moet doen en tegen de Rohingya moet zeggen: ‘beste mensen, jullie wonen hier al zo lang, jullie horen bij ons’.
Die kinderlijke voorstelling van zaken gaat voorbij aan de reële verhoudingen in Myanmar, waar de rol van het leger vast verankerd is in de grondwet en de dagelijkse politiek, het vredesproces met de rebellengroepen moeizaam voortploetert en de nieuwe burgerregering het politieke handwerk nog niet goed in de vingers heeft. Natuurlijk zou Aung San Suu Kyi vanuit haar morele leiderschap een principiëler positie kunnen (of moeten) innemen en de mensenrechten van alle inwoners van Myanmar moeten verdedigen, maar voorwenden dat als Suu Kyi maar zou roepen dat de Rohingya terug mogen komen alle problemen als vanzelf verdwijnen is simplistisch.

De ontzetting van Ploumen over de wandaden van het leger tegen de Rohingya lijkt oprecht, net als haar teleurstelling in Aung San Suu Kyi. Haar bewering dat ze, toen ze Aung San Suu Kyi in 2013 ontmoette, over de Rohingya is begonnen maar toen al geen sjoege kreeg, komt een stuk minder oprecht over.
In 2013 stond Aung San Suu Kyi ook internationaal nog stevig op het schild als leider van de democratische oppositie. De transitie was nog jong, en de eerste hervormingen onder leiding van een semi-civiele regering brachten minder censuur en meer vrijheden. Ploumen bezocht Myanmar toen als minister van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, met in haar kielzog een delegatie van Nederlandse bedrijven die een bloeiende democratische toekomst voor Myanmar zagen; zij gingen met hun investeringen en technische ondersteuning de economie en daarmee de democratie vooruit helpen. Mensenrechten waren daarbij wel belangrijk, maar geen speerpunt. In een situatie van omwenteling moet men ook vergissingen door de vingers kunnen zien. Dat de economie stevig in handen was, en nog steeds is, van het leger of aan het leger gelieerde bedrijven zette geen rem op de investeringsdrift. Ploumen opende een handelskantoor, handelsmissies werden gefaciliteerd en ontwikkelingssamenwerking werd gekoppeld aan het belang van het Nederlandse bedrijfsleven.
Het beleid van de Nederlandse regering, uitgevoerd door Ploumen, heeft schendingen van mensenrechten, en daarmee ook de vervolging van Rohingya, ten gunste van samenwerking en Nederlandse belangen door de vingers willen zien. Nu de crisis in Rakhine en de kampen in Bangladesh zo overweldigend groot zijn geworden, zou het verstandig zijn om samen met progressieve Birmezen naar een oplossing te zoeken, in plaats van te blijven steken in teleurstelling en verontwaardiging. Myanmar worstelt zich na decennia van dictatuur en burgeroorlog naar een meer democratische structuur. Dat moeizame proces ondersteunen zou de terugkeer van de Rohingya naar een menswaardig bestaan kunnen bespoedigen.

(ook gepubliceerd op Joop.nl)

Investeer in geluk

Wat er in Rakhine gebeurt is verschrikkelijk, het is een schandvlek op de rok van het universum; een humanitaire crisis die ons allemaal aangaat, en waarvan we opnieuw zouden moeten leren dat het collectief afgeven op een groep mensen – op moslims als homogene bedreigende massa – een voedingsbodem is voor excessief geweld.
We waren voor het gemak, en het economisch gewin, even vergeten dat dictatuur niet in een vloek en een zucht kan worden omgevormd tot een democratie; dat meer vrijheid die geen vooruitgang brengt een perfecte petrischaal is voor onmacht, onmacht die zich kan omzetten in woede en geweld als de juiste temperatuur bereikt wordt.
We geloofden in de mythe van de Lady met verbazingwekkende hardnekkigheid. We negeerden dat haar partij geen duidelijke plannen had om het land uit het slob te trekken, geen tekst en uitleg gaf aan de burgers, zodat die wisten waar ze voor kozen. We deden net of we niet zagen dat de macht van het leger zich nog steeds tot alle hoeken van het land uitstrekte. Moedertje Suu zou alles goed maken, in haar eentje.
Hoe? Met haar schoonheid en gratie, haar standvastigheid en een toverstafje. Alsof mensenrechten en democratie uit de hoge hoed komen. Je kunt niet goochelen of marchanderen met mensenrechten. Mensenrechten zijn universeel, en gelden dus voor iedereen. Compromisloos. Democratiseren gaat niet met trucjes. Het vraagt om gerichte aandacht voor de belangen van de bevolking. De heldin van haar voetstuk stoten blijkt hierbij niet constructief – de rijen sluiten zich, eendrachtig schaart men zich achter de Lady en zelfs achter het leger. Geholpen door een stortvloed aan verdachtmakingen, halve waarheden en bot nationalisme. Het hele land holt achteruit: het vredesproces ligt op zijn gat. Het leger heeft brutaal laten zien dat zij de dienst uitmaken, en heeft opnieuw geleerd dat ze relatief ongestraft hun gang kunnen gaan.
Hier spreken we vooral schande, en houden – in EU verband – op de legerleiding te ontvangen als vrienden. Ondertussen baggeren we door en worden er wegen aangelegd naar havens die grondstoffen in bulk het land uit voeren. De bevolking kijkt – steeds minder gelaten – toe hoe hun land wordt geasfalteerd, hoe hun rijstvelden verdwijnen onder stuwmeren, hoe hun rivieren worden rechtgetrokken en hoe lucht en water worden vervuild. Het is makkelijk dan te gaan denken: die hele transitie heeft ons nog niet veel goeds gebracht. Teleurstelling, woede en een gebrek aan perspectief zoeken een uitlaatklep, een zondebok. De nieuwe vrijheden bieden ruimte tot ongehinderd ventileren van nare, opruiende praat.
Ik zou willen voorstellen om dit aan de kaak te stellen, niet met sancties, maar door meer investeringen. Niet in industrie, handel en gewin, maar in geluk, in waardigheid. In mensen. Mijn ervaring is dat de gewone man en vrouw in Myanmar niets liever wil dan begrijpen wat er aan de hand is in hun land, hoe het zo gekomen is, wat zij kunnen bijdragen aan positieve verandering. Onpartijdige informatie en uitleg, over instituties, over de staat, over de omstreden grondwet, landrechten, burgerschap, het vredesproces; over onderhandelen, dialoog en zoeken naar consensus. Daar is schreeuwende behoefte aan. Mensen die mogelijkheden hebben om hun bestaan zelf vorm te geven vanuit een opgewekter toekomstperspectief, hebben geen zondebokken nodig. Investeer dus in het ondersteunen van burgers zodat ze argwaan en woede van zich af kunnen schudden en zich kunnen ontwikkelen tot vreedzame politieke actoren die vanuit betrokkenheid hun samenleving aan de basis kunnen hervormen. Dat kan. Het werkt. Het vormt een fundament voor democratischer instituties en uiteindelijk voor een rechtvaardiger land. Voor iedereen.

Column, uitgesproken op 19 oktober in het Humanity House, Den Haag bij het programma: `Moeten we ons schamen voor Myanmar?’

De Nederlandse identiteit

Het lijkt wel of er in deze verkiezingscampagne een Nieuw Ethisch Reveil over ons uitgestort wordt, met joods-christelijke waarden als wapens in een strijd op leven en dood en met het behoud van onze Nederlandse identiteit als inzet. We bewijzen lippendienst aan de Verlichting, maar hanteren het joods-christelijke gedachtengoed als enige bron van echte waarden; een schild tegen de opdringerige concurrentie van koran en islam. En dat alles onder de fier wapperende vlag van de vrijheid van meningsuiting. Maar wat zijn nou eigenlijk de bouwstenen van onze identiteit?
Zwarte Piet? Kerstbomen op alle scholen? Paaseieren in een HEMA folder? Klokgelui op zondag en verbod op minaretten? Hard werken als basis voor bestaansrecht? Alles mogen roepen, maakt niet uit of het waar is? Respect voor onze driekleur en trots op ons koningshuis?
Andere ideeën? Dan zwaaien we je eensgezind uit.

Als je alleen maar zou luisteren naar wat er zoal te berde wordt gebracht deze campagne, zou je zomaar kunnen gaan denken dat onze Nederlandse identiteit gestoeld is op hypocrisie en rancune.
Rancune tegen mensen die –tijdelijk- buiten de boot vallen en een uitkering nodig hebben, want die profiteren gewetenloos van de hardwerkende Nederlander. Dus: papierprikken, en verder dankbaar zijn dat er überhaupt nog een vangnet is. Rancune tegen ontwikkelingslanden die wel hun bedelnap ophouden, maar hun markten niet grootmoedig opengooien voor onze bedrijven. Afschaffen die hulp, alleen handel helpt. Rancune tegen mensen die hier asiel of geluk zoeken, maar die hun eigen identiteit niet zomaar willen inwisselen tegen die van ons. Afknijpen, integreren, aanpassen, en als het je niet bevalt: dan rot je toch lekker op. Wit tegen zwart en vice versa, machomannen die niet van vrouwen die tegenspreken houden, de ‘verkleuring’ van onze maatschappij, zakkenvullers en raddraaiers. De rancune heeft vele gezichten.
En die joods-christelijke waarden? Zien we die terug in de lekke tentenkampen aan de stranden van de Middellandse zee? Tussen het prikkeldraad van de inderhaast opgetrokken hekwerken om de tsunami van medemensen aan onze buitengrenzen tegen te houden? In onze reactie op oorlogen die wij voeren maar die ver buiten onze grenzen woeden? In de vrije markt waarvan vooral wij profiteren ten koste van rechtvaardig delen met landen die zich uit dictatuur en achterstand proberen op te stoten? In de ongedouchte bejaarde die zonder dagbesteding maar met een volle luier zit? In de kinderen die met een lege maag in de schoolbanken hangen?
Waarin wordt de naastenliefde weerspiegeld? Waar is die andere wang? Waar is het ‘wie een mens redt, red de hele mensheid’, het eert uw vader en uw moeder; het breken en delen van het beschikbare brood?
Misschien hebben we een religie-loos, voor iedereen begrijpelijk uitgangspunt nodig: geen woorden maar daden. Dat zou een hoop hypocriet gebabbel schelen.

(ook gepubliceerd op Joop.nl)