Revolutie

Magisch Centrum Amsterdam, tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Affiches en memoralia uit een tijd dat de revolutie zich in de straten, de pleinen en parken van onze stad afspeelde en de solidariteit van de gevels droop. Nu hangt een residu van dit alles achter glas of perspex in het museum…. Desondanks genoten.

Ontwakende stad

Vanmorgen opende ik rond half acht de voordeur om met hond Dinah te gaan wandelen. Vanaf de linkerhoek van de straat blonk een hard-blauwig licht en klonk onheilspellend gerommel en gebeuk. Vanaf de rechterhoek golfde felgeel licht de nog donkere straat in om de eerste bulldozers die bezig zijn de opengegraven straat weer dicht te gooien bij te lichten. Door de straat walmde een geur van schroeiend rubber en brandend plastic. Dinah, meestal toch opgewekt als er na een nacht rust naar buiten gegaan kan worden, kromp ineen. Hij moest overgehaald worden om zich in beweging te zetten. We kozen voor de richting van het gele licht, ook omdat van die kant het minste gedreun kwam.
Dinah, schrikkerig en geagiteerd, liep zo snel als hij kon langs de hekken waarmee de openliggende straat is afgezet, tot aan de hoofdweg, die we overstaken. Richting park.
Maar zover kwamen we niet, want het Vredespleintje bij de school wordt omgewoeld, de betonnen tribune wordt met drilboren aan gruzels gedrild, en Dinah voelde er weinig voor de voortgang van het vernieuwingsproject van dichtbij te bekijken. Verderop, aan de kade werd ook al gewerkt, met dezelfde felle lichten, met veel gedender en – zeker voor hondenoren – onbestemde geluiden. We maakten rechtsomkeert, dan maar geen park, en we namen smalle, rustige buurtstraatjes waar het nog gewoon licht werd en waar hondlief tot rust kon komen tussen de bloembakken die op de stoepen voor de woonboten de wegen een parkige aanblik geven.

Ik begrijp best dat er gewerkt moet worden, dat een stad onderhoud behoeft. Ik snap ook dat dat overlast geeft en gedoe en te volle vuilbakken en nergens je fiets kwijt kunnen en kilo’s zand je huis in lopen, en andere overkomelijke rottigheid, zoals schichtige dieren die er niks van begrijpen dat hun vertrouwde plekjes erbij liggen als open wonden. Maar wat ik niet snap is dat er ‘s morgens om zeven uur knalharde verlichting op het werk moet worden gezet en dat er op dat helse tijdstip lawaai gemaakt moet worden alsof de wereld vergaat. Kan dat niet gewoon op een mens-, kind- en diervriendelijker tijdstip? Als het al licht is? En dan doorwerken tot vijf uur in plaats van rond drie uur, half vier opbreken? Of, als het gaat winteren, stoppen als het donker wordt? Volgens mij is dat win-win-win: een blije buurt (inclusief blije dieren), werkers die zich niet bij nacht en ontij naar een karwei hoeven slepen, en ook nog bakken energie besparen.

Rode bieten

Oud West, zo is me verteld, is het dichtsbevolkte, dichtsbebouwde en meest versteende deel van Amsterdam. Dat merk je als bewoner wel en niet: wel, omdat er overal voortdurend gebouwd wordt en je op bijna elk uur van de dag zowat struikelt over de overal aanwezige medemens – buren, bezoekers en buitenlui, tegenwoordig vaak in gezelschap van een rolkoffer; niet, omdat er overal kleine parkjes, plantsoentjes, boomtuintjes, plantenbakken en andere groenvoorzieningen zijn die door bewoners en gemeente liefdevol onderhouden worden.
Een van die juweeltjes is het Nicolaas Beetsplantsoen. Behalve een overdadig bloeiende blauwe regen die als een baldakijn over de bankjes hangt, is er een ook groentetuin. Met groenten, kleine fruitboompjes, bijenhotelletjes en bloemen.
Vandaag stonden er kraampjes op het plein en werden er allerlei groen- en zelf doen ideeën getoond en uitgelegd. Op een van de kramen lag verse groente uit de tuin in de nazomerzon te glanzen. Ik raakte aan de praat met een leuke vrouw die vol enthousiasme over de buurttuin vertelde en die me ten afscheid twee rode bieten meegaf, vers van het land, met het loof er nog aan. Daar liep ik mee verder over het plein, langs de andere kraampjes – groendaken, wormen- en bijenhotels, composteren voor beginners en gevorderden, tomatenplantjes, dat soort dingen -, een klein beetje landleven midden in de stad. Een oudere dame sprak me aan. Alsof we even in een dorp waren, waar men nog een beetje op elkaar let, zei ze vriendelijk bezorgd tegen me: `die groenten mag je niet zomaar plukken, dat is denk ik niet de bedoeling’. `Nee, mevrouw, dat denk ik ook niet’, lachte ik naar haar, en zei dat ik de bieten gekregen had. Ze lachte opgelucht terug. Ik vond dat lief, dat bezorgde en het vriendelijke, en was blij dat mevrouw zich vrij en veilig genoeg voelde om me aan te spreken. In hartje Amsterdam. Midden tussen de volle grond groenten.

Wijk bij Duurstede

Op een stralende dag in de grote kerk van Wijk bij Duurstede, waar een boekentaxateur aan een tafel oude boeken beoordeelde, bepaalde wat ze waard zouden kunnen zijn, en ze, indien aankopenswaardig, aankocht. (Altijd vrolijkstemmend als een kerk wordt opengesteld voor zakelijke transacties); waar een Harrison & Harrison orgel, afkomstig uit de gesloten St Peter’s Church in Bishop Auckland (Durham) en naar Nederland gehaald om in oude luister te worden hersteld, nu nog deels in een restauratieatelier, en deels als pijpen en houtstaketsels in de kerk ligt te wachten tot het weer bespeeld kan worden; waar het grote orgel uit 1557 stamt, maar ouder kan zijn omdat in de rekeningen van het Sacramentsgilde uit 1468 al sprake is van een organist (volgens de website van de kerk) en waar de aardige koster ons naar boven liet klimmen om de prachtige kast rond de orgelpijpen van dichtbij te kunnen bewonderen.
Zacht nazomerlicht scheen er door kleine glazen ruitjes – niet gebrandschilderd of glas in lood want deze kerk is strak en gereformeerd en heel wit op een paar schilderijen, een minder goed gelukt modern wandkleed en een door vocht gemaakt ornament na. Vanaf de zitplaats van de organist was het uitzicht en vooral dat licht contemplatie opwekkend.

Hoog, Sammy, kijk omhoog…

De lucht boven het Vondelpark, op zaterdagochtend, rond een uur of acht.
De avond ervoor, ook tijdens een wandeling met Dinah, viel het me al op hoeveel vliegtuigen er over vlogen, op weg naar Schiphol, of er juist vanaf. En dat terwijl het zomervakantiehoogseizoen toch voorbij is.

Dinah over de Afsluitdijk 2

Dinah, onze lichtelijk onhandelbare hond moet uit logeren voor de duur van onze reis naar India.
Dinah, die zelf uit India komt en die we er letterlijk meer dood dan levend op straat vonden, nu zo’n 7 jaar geleden. Net boven zijn staartje gaapte een ontstoken gat en hij kon nauwelijks nog staan. We ontfermden ons over de pup en namen hem mee op reis door de bergen. Zienderogen knapte hij op. Het gat groeide dicht tot kuiltje en Dinah zelf werd bijna dartel.
(De dierenarts in India dacht dat het deerniswekkende schepseltje een vrouwtje was. Tegen de tijd dat het duidelijk werd dat hij een reu is, luisterde hij al naar zijn naam, dus hebben we dat maar zo gelaten.)
Jaren woonde hij bij ‘onze kinderen’ in Chandigarh, tot zij uithuizige studenten werden en Dinah een ander thuis nodig had. Dat werd bij ons in Amsterdam.

We zochten dus naar een goed kosthuis voor Dinah. We probeerden onder andere een paar kennels in Brabant. Dat viel niet mee. Bij de eerste stuurde een norse man ons weg. We konden via internet een afspraak maken, en nee, we mochten niet even kijken. Aanmelden, beest brengen, en vort. Bij de tweede rende Dinah subiet het veld in vanwege oorverdovend geblaf. Pas na een kilometer hield hij in en keek verontrust om. De vrouw die ons te woord stond kwam bijna niet boven het geblaf uit. Nog net verstonden we dat elk dier een eigen hok kreeg. Ze hadden er minimaal 50. Dieren. En hokken dus.
Bij het derde dierenpension meldde een potige kerel dat hij Dinah, als die het zou wagen naar hem te grauwen, ‘onder de fiets door zou trekken’. We kregen niet uit de man wat dat precies betekende, maar snapten wel dat het niet veel goeds was.
Dat dus nooit. Maar wat dan wel?
Via een vriendin hoorden we van een opvang in Leeuwarden, waar het goed toeven is voor honden en waar welzijn boven winst gaat en hokken en kettingen niet bestaan. We gingen er heen en waren bijna gelijk verkocht;Lieve mensen, blije dieren, een prachtwei voor spel en behoefte, en ook nog betaalbaar. Een lot uit de loterij, voor Dinah en voor ons.

Vandaar dat we met hond over de Afsluitdijk reden, vlak voor ons vertrek naar India. Zolang wij door Dinahs heimat toeren, snuffelt hij aan Fries gras onder de hoede van mensen die van honden houden. Win, win.

Foodtruck

mobiel theehuis, Chandigarh

Het eerste dat ik zie is zijn snor. Nee, eerder nog zie ik de fietskar: een constructie van helderwitte, vierkante metalen buizen op stevige banden. Onder het stuur zit een jongeman in kleermakerszit. Die kar en die jongen die als een vorst wordt rondgereden, trokken mijn aandacht. Maar toen had ik die snor dus nog niet gezien. Dalinesk dun lijntje met fier omhoog gedraaide punten. Alsof je minimaal een eeuw terug gekatapulteerd wordt. Fier aan het stuur.

We raken aan de praat: hij praat Engels met een Italiaans accent en hij gaat op wat het onderstel van een tricycle van Albert Heijn blijkt te zijn, een foodtruck maken, een moderne, verplaatsbare snackbar waar je hip ‘food’ kan kopen, voor op festivals, feesten en andere partijen.

Ik ben dol op foodtrucks, als het tenminste van die schattige omgebouwde Kip caravannetjes of campertjes met een uitklapraam zijn waar smoothies, sushi zonder zout, glutenvrije cakejes of gewoon bitterballen met een twist door de eigenaar/uitbater worden gemaakt en verkocht. Ik geloof dat het avontuurlijke, vrije ondernemerschap me voor dat soort bedrijfjes inneemt, en hun ingebouwde drempel tot groei en meer. Ik ben dus reuze benieuwd wat hij gaat uitventen. Hij trekt een serieus gezicht en vraagt: Ben jij een Nederlander? Eh, ja, antwoord ik. Dan brengt hij een vinger naar zijn lippen en zegt: dan kan ik nog niet verklappen wat ik ga verkopen, het is nog geheim. Huh? trek ik vragend mijn wenkbrauwen op. Het is nieuw voedsel, zegt hij, iets wat Nederlanders nog niet kennen. En ik heb het bedacht en nu ben ik het aan het deponeren, als merk. Daarom kan ik het niet vertellen, want het is zo goed en zo lekker dat een ander het dan misschien ook gaat maken en verkopen nog voordat het als merk van mij is. Hij ziet er even echt bezorgd uit. Ik moet nog een weekje wachten en dan zal het wonder zich openbaren. De glimlach op het gezicht van de vriend die als een vorst wordt rondgereden en die al heeft mogen proeven belooft een culinair geluksmoment, zomaar aan een kar van Albert Heijn.

Berenklauw en fluitekruid

Een man in een bruin werkpak met een logo van de gemeente Amsterdam boven zijn hart staat in de berm tegenover de tennisbaan te spitten. Ik vraag hem uit pure nieuwsgierigheid wat hij aan het doen is. Enthousiast begint hij te vertellen: hij steekt de zaailingen van de reuzenbereklauw uit, alleen schoffelen is niet genoeg, het moet met wortel en tak. Hij toont me de harige steel van de jonge plant en zegt dat het sap tweedegraadsbrandwonden oplevert in combinatie met mensenhuid en zonlicht. Dat is vervelend. Wat ook vervelend is, is dat de reuzenbereklauw woekert en in hun woekeren andere planten verdringen. De inheemse bereklauw is kleiner en beter in de hand te houden. De reuzeberenklauw is volgens deze meneer ooit in de middeleeuwen van de Kaukasus naar hier gehaald om als statussymbool in tuinen van de rijken te dienen. Vandaar hebben ze zich naar overal verspreid.
Hij is de ecologische beheerder of beheerder ecologie van het Vondelpark. Wilde bloemen, voorheen gezien als onkruid, worden u gecultiveerd opdat de vlinders en de bijen terugkeren. Het was me al opgevallen dat er veel meer frivools en ijls groeit en bloeit in het park naast de toch wat aangeharkte bloemenpacht van bloembollen en rododendron. Het fluitekruid met haar witte schermpjes dat nu bloeit is geliefd bij vlinders, brandnetels zijn favoriet bij bijen en vlinders gelijk. Anders dan de berenklauw zijn fluitekruid en brandnetel en aanverwants te maaien om plaats te maken voor nieuwe bloeiers. Ik herken akeleien en zich voorzichtig openende vlierschermen.
Hij beheert ook de Koeienweide, een stukje park dat is afgeschermd en waar wilde natuur wordt nagebootst. Soms is er open dag op de weide. Wij hadden al voor de poort gestaan, maar waren toen door een kordate mevrouw van buurtnatuurbeheer weggestuurd vanwege de hond. Deze meneer nodigt ons uit toch zeker een keer te komen, hij zal ons met plezier rondleiden. En van hem mag de hond, aan de lijn, best mee.