Zingen. Zachtjes

Deze ochtend, zoals veel andere ochtenden, bevonden mijn hond en ik ons op straat ergens tussen berusting over de routine en genieten van het dagelijk veranderende groen, toen het gebeurde: een man, een vrouw en een kind, een familie, liep ons tegemoet. Zingend. Zachtjes, samen en duidelijk met liefde. Ik kon de taal waarin ze zongen niet thuisbrengen, maar het tafereel ontroerde me. Het kon goed zijn dat ze dreiging en gevaar ontvlucht waren, en pas geleden weer herenigd waren, en als dat zo was, dan hoopte ik vurig dat ze, zoals nu, elke dag zachtjes zingend richting de school van het kind konden lopen. Samen. Veilig.

Van het hemd en de rok

Vaak hoorde ik de laatste weken: het hemd is nou eenmaal nader dan de rok, en: wat je herkent, help je eerder. En dat als verklaring voor de relatief open armen waarmee Oekraïense vluchtelingen worden verwelkomd en opgevangen, in tegenstelling tot, zeg maar Afghanen. Nou weet ik niet zoveel van dat hemd en die rok, maar dat je eerder helpt wat je herkent?
Ik meen me te herinneren dat we jarenlang troepen en materieel stuurden naar Afghanistan, omdat daar een onverkwikkelijk regime de vrije wereld bedreigde en ook een affront was voor onze verlichte idealen. Gewapenderwijs gingen we uit helpen, gesanctioneerd door onze volksvertegenwoordigers. We trokken ten strijde aan de zijde van hen die zich in ons kamp, het kamp van de vrije wereld, wilde scharen, of dat nou voormalige krijgsheren-cum-beulsknechten waren of vooruitgeschoven marionetten, daar maalden we niet om, onze missie was: de Afghanen helpen bij hun bevrijding. Terwijl we, als we die hemd en rok-herkenning redenering weer even van stal halen, niet verder van huis konden zijn dan daar in Afganistan. Wat ook wel bleek, toen de interventie toch mislukte en de Afghaan -van bondgenoot in vluchteling veranderd – onze open armen echt nodig had. Toen zaten we vol, en bovendien: zij zijn zo ánders, qua hemd en rok en waarden en normen, en, nou ja, alles eigenlijk. Dat kan zelfs een kind zien…
Voor Oekrainers zijn we niet vol. En dat is mooi en menselijk. Maar hélpen doen we niet. Daarvoor staat er teveel op het spel, zoals bijvoorbeeld ons eigen hachje.
Niet dat ik vind dat we er vol in moeten met ons ‘leger op de fiets’, maar het geeft wel te denken, op en over allerlei fronten.
In Afghanistan konden we oorlog voeren zonder dat we er hier iets van voelden, hooguit dat onze trots wat zwol. De prijs werd dáár betaald, behalve dan voor diegenen die kind, man of vrouw ‘in een doos’ terugkreeg. Voor hen kwam het heel dichtbij, die oorlog.
Nu brandt het aan onze eigen grenzen, en proberen we uit alle macht niet zelf vlam te vatten. En staan we, met onze armen open, ook een beetje in ons hemd.

James Bond-in-zwaar-weer

Soms schieten schaamteloze gedachten door mijn hoofd, soms zelfs al voor de dag goed en wel begonnen is:
Als het over Zelensky gaat, en door de aard der dingen gaat het vaak over Zelensky, wordt hij neergezet als onverschrokken leider, met een achtergrond als komiek, al wordt het steeds vaker acteur, alsof men alsnog aanvoelt dat ‘komiek’ niet echt in het plaatje past. In de beschrijving van zijn ongeschoren voorkomen en tors gehuld in legergroen t-shirt wordt de James-Bond-in-zwaar-weer romantiek nauwelijks verhuld. Morgen spreekt hij de Kamer toe. Forum is er niet bij. Die zijn natuurlijk bang dat hun voormannetjes met hun manierismetjes teveel afsteken bij de leider die, door de oorlog die hún voorbeeld en inspirator begonnen is, het nieuwe leiderschap waar iedereen naar zoekt belichaamt.
En dan denk ik: ik hoop niet dat onze gekozen vertegenwoordigers uit pure geinspireerdheid acteerlessen gaan volgen, als aanvulling op de mediatrainingen, om ‘beter over te komen’, en dan met baard van een dag of wat – gecoiffeerd, uiteraard, we zijn geen barbaren, en een t-shirtje aan proberen hun halfzachte boodschap een beetje heldendom mee te geven. (We herinneren ons Wopkes t-shirt tijdens de formatie en huiveren zacht)
En de vrouwen: weg met de hakken, de kinglouisstijljurkjes, de sjaaltjes, kraaltjes en reversprullaria, in gemodificeerd gevechtstenue aantreden om toch weer mank te gaan in de redenering, of te blijven hameren op de noodzaak van voldoende dierenartsen voor de opvang van vluchtelingendieren – wat na acteerles nóg gevoeliger overkomt.
En dan is, zoals ik al zei, de dag nog niet eens echt begonnen…

Een goed begin…

Ik was bij Eko plaza. Bij de deur én bij de kassa een groot plakkaat: mondkapje verplicht. In de winkel vier mensen die niet konden lezen, denk ik. Analfabetisme zie je niet aan de buitenkant hè … hoewel er was ook een redelijk duidelijke tekening die de aansporing vergezelde, maar ja, niet iedereen is beeldbegaafd.
Ik vroeg nog: goh, wat betekent ‘verplicht’? Maar niemand gaf antwoord.
Ik denk dat ‘verplicht’ ongeveer dezelfde status heeft als ‘verboden te betreden’; gaan wij Nederlanders ook direct van in de ‘mij zeg je niks’ stand, om terstond over het hek te klimmen of onder het prikkeldraad door te kruipen. Zo doen wij dat nou eenmaal … verzet zit in onze genen.
De pervert in mij verheugt zich nu al op de toekomstige dictatuur. Dat gaat een spannende tijd worden met werkelijk óveral verzetsstrijders met gezonde autonome geesten in gezonde autonome lichamen. Goede vijand die dat gaat breken …

Het liep tegen het nieuwe jaar…

Gisteren liep ik door de Kinkerstraat, van de markt richting de Bilderdijk langs een lange, lange rij geduldig wachtende mensen. Zo’n rij die bij de vorige lockdown wel voor de Action stond, maar dan langer. Er stonden geloof ik zelfs dranghekken. Aan een vriendelijk ogende dame vroeg ik waar ze zo gedwee voor in de rij stond. ‘De slager’, zei ze. ‘Ah, de slager, natuurlijk. Dank u’, zei ik. En ik dacht, jé-zus, die rij staat er voor de kiloknaller, want zo heet deze slagerij in de wandelgangen. Dier per kilo voor bodemprijzen. Die bio-industrie, dacht ik toen, die houdt het nog wel even.

Myanmar

Op deze herfstige zomerzondagochtend, terwijl de wind aan de druivenrank en de lathyrus voor mijn raam rukt, stormen door mijn hoofd herinneringen, wensen en verlangens aan en voor Myanmar, waar 8 8 88 alweer door zovele nieuwe uitbarstingen van verzet en moed is ingehaald, en waar het cyclische van hoop en wanhoop een heel eigen dimensie krijgt.

Volksbuurt cum zeloot

In mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje woont een zeloot. En deze zeloot is overactief. Eerst plakte hij (het is een hij, te oordelen aan de ongelapte ramen en de groezelige kozijnen van zijn residentie – ja, ik weet waar hij woont – niet omdat ik op de loer lig, maar omdat er een uitstalling van gedachtegoeduitingen op zijn ramen geplakt zijn en aan zijn balkonnetje wapperen), eerst plakte hij dus op vuilbakken, wildplakzuilen en kale muren zijn dringende aansporing dat we ons sneue leven moesten beteren, omdat Satan onder ons is, (Hel! Verdoemenis!), afgewisseld met het blijere ‘Jezus leeft!’. (Waarvan mij dan weer de logica ontgaat: als Hij leeft, waarom is de Satan dan zo schijnbaar oppermachtig? Dat leggen ze nou nooit eens bevredigend uit…)

Maar nu heeft de zeloot de verkeersborden ontdekt. En aangezien er in mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje altijd wel ergens een straat is opgebroken, zwerven er veel borden rond. Ideaal voor korte, krachtige leuzen.
Gestickerd wordt er ook volop, maar die uitingen zijn net een tikje gelikter, strakker, beeldender ook. Daar zit een meer gestroomlijnde cq. georganiseerde ideeënmaffia achter. Onze zeloot is een eenling, dorstend zwerft hij door zijn eigen woestijn.

Hoop en leven

1. Lang, heel lang geleden was er een meisje op reis in een ver en vreemd land. Daar waren heel veel dingen wel, en sommige dingen niet. Daardoor vielen er werelden te ontdekken, gevestigde ideetjes te verlaten en floreerde de fantasie. Op een goede dag moest er ontlast worden. Maar er waren geen stilletjes, geen privaten en er waren ook geen kleinste huisjes. Zij hurkte in een bos achter een boom. Nog maar nauwelijks begonnen klonk er vanachter haar een blijmoedig grommerig geluid. Haar positie verhinderde haar om te kijken, noodgedwongen ging ze door waar ze mee bezig was, terwijl het geluid achter haar aanzwol tot niets minder dan wellustig geknor. Haastig opstaand deed zij een stap of wat naar voren en keek om en zag…
2. Zestiende eeuwse messen met een muziekje erop. Zodat de gasten kunnen oefenen voor het gezamenlijk gezang na de maaltijd…

Jeroen

Je kunt als je dat wilt van alles zeggen over Jeroen van Merwijk. En dat gebeurt nu dan ook volop. Maar waarom zou je, als je Jeroen zijn eigen woorden hebt?
Een van zijn heel vele mooie liedjes:

‘De brug en de stad en het land en de trage rivier
De smaak van weleer op de tong na de slok van het bier
De rook uit het huis in de verre vallei
De glans van fluweel op het lijf van de bij
De geur van de zon op de straat na de stortbui
En jij

De schok van elektriciteit door de flank van het ree
De blik van de vrouw naar de man in het volle café
De sporter, de training, de liefhebberij
Het vogelgezang op de avond in mei
Het haar in de wind op het strand van de Noordzee
En jij

Het licht en de lucht en de boot en het zeil en het meer
Het publiek, de trapeze, de tijgers, de clowns en de beer
Het doolhof, de siertuin, de waterpartij
De plooi van de stof in een oud schilderij
De koetsen, de vlaggen, de juichende mensen
En jij
De koetsen, de vlaggen, de juichende mensen
En jij

Bontje en He-man

Mijn hond en ik maken onze ochtendwandeling. In een opengebroken straat – er is altijd wel een opengebroken straat in mijn buurtje – hoor ik hakken klikken op de ijzeren platen voor ik de draagster ervan uit de mist zie opdoemen. Haar broek is langer dan zij. Ze draagt er een kek jasje van op wolvenhaar gelijkend bont op. Naast haar een man, leren jack, muts over de oren. Zij zegt: ‘come on, she just wants to fuck you’. En ze lacht. Uit haar metgezel komt een grom (mijn hond spitst zijn oren) en daarna staat hij stil, steekt zijn armen in een overwinningsgebaar de lucht in en begint zich dan ritmisch op de borst te kloppen. Ik wilde dat ik mijn hond kon regisseren, dan liet ik hem ter plekke zijn prachtige wolfskreten slaken. Openingsscene van een film: Bontje, He-man, opengebroken straat, mist en gehuil als was het van een wolf. En dan inzoemen op het lijk. Fuck me, zou ze zeggen, Bontje, en He-man zou de armen slap naast zijn lijf laten hangen. Het gehuil zou wegsterven en overgaan in aanzwellende sirenes…