Volksbuurt cum zeloot

In mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje woont een zeloot. En deze zeloot is overactief. Eerst plakte hij (het is een hij, te oordelen aan de ongelapte ramen en de groezelige kozijnen van zijn residentie – ja, ik weet waar hij woont – niet omdat ik op de loer lig, maar omdat er een uitstalling van gedachtegoeduitingen op zijn ramen geplakt zijn en aan zijn balkonnetje wapperen), eerst plakte hij dus op vuilbakken, wildplakzuilen en kale muren zijn dringende aansporing dat we ons sneue leven moesten beteren, omdat Satan onder ons is, (Hel! Verdoemenis!), afgewisseld met het blijere ‘Jezus leeft!’. (Waarvan mij dan weer de logica ontgaat: als Hij leeft, waarom is de Satan dan zo schijnbaar oppermachtig? Dat leggen ze nou nooit eens bevredigend uit…)

Maar nu heeft de zeloot de verkeersborden ontdekt. En aangezien er in mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje altijd wel ergens een straat is opgebroken, zwerven er veel borden rond. Ideaal voor korte, krachtige leuzen.
Gestickerd wordt er ook volop, maar die uitingen zijn net een tikje gelikter, strakker, beeldender ook. Daar zit een meer gestroomlijnde cq. georganiseerde ideeënmaffia achter. Onze zeloot is een eenling, dorstend zwerft hij door zijn eigen woestijn.

Hoop en leven

1. Lang, heel lang geleden was er een meisje op reis in een ver en vreemd land. Daar waren heel veel dingen wel, en sommige dingen niet. Daardoor vielen er werelden te ontdekken, gevestigde ideetjes te verlaten en floreerde de fantasie. Op een goede dag moest er ontlast worden. Maar er waren geen stilletjes, geen privaten en er waren ook geen kleinste huisjes. Zij hurkte in een bos achter een boom. Nog maar nauwelijks begonnen klonk er vanachter haar een blijmoedig grommerig geluid. Haar positie verhinderde haar om te kijken, noodgedwongen ging ze door waar ze mee bezig was, terwijl het geluid achter haar aanzwol tot niets minder dan wellustig geknor. Haastig opstaand deed zij een stap of wat naar voren en keek om en zag…
2. Zestiende eeuwse messen met een muziekje erop. Zodat de gasten kunnen oefenen voor het gezamenlijk gezang na de maaltijd…

Jeroen

Je kunt als je dat wilt van alles zeggen over Jeroen van Merwijk. En dat gebeurt nu dan ook volop. Maar waarom zou je, als je Jeroen zijn eigen woorden hebt?
Een van zijn heel vele mooie liedjes:

‘De brug en de stad en het land en de trage rivier
De smaak van weleer op de tong na de slok van het bier
De rook uit het huis in de verre vallei
De glans van fluweel op het lijf van de bij
De geur van de zon op de straat na de stortbui
En jij

De schok van elektriciteit door de flank van het ree
De blik van de vrouw naar de man in het volle café
De sporter, de training, de liefhebberij
Het vogelgezang op de avond in mei
Het haar in de wind op het strand van de Noordzee
En jij

Het licht en de lucht en de boot en het zeil en het meer
Het publiek, de trapeze, de tijgers, de clowns en de beer
Het doolhof, de siertuin, de waterpartij
De plooi van de stof in een oud schilderij
De koetsen, de vlaggen, de juichende mensen
En jij
De koetsen, de vlaggen, de juichende mensen
En jij

Bontje en He-man

Mijn hond en ik maken onze ochtendwandeling. In een opengebroken straat – er is altijd wel een opengebroken straat in mijn buurtje – hoor ik hakken klikken op de ijzeren platen voor ik de draagster ervan uit de mist zie opdoemen. Haar broek is langer dan zij. Ze draagt er een kek jasje van op wolvenhaar gelijkend bont op. Naast haar een man, leren jack, muts over de oren. Zij zegt: ‘come on, she just wants to fuck you’. En ze lacht. Uit haar metgezel komt een grom (mijn hond spitst zijn oren) en daarna staat hij stil, steekt zijn armen in een overwinningsgebaar de lucht in en begint zich dan ritmisch op de borst te kloppen. Ik wilde dat ik mijn hond kon regisseren, dan liet ik hem ter plekke zijn prachtige wolfskreten slaken. Openingsscene van een film: Bontje, He-man, opengebroken straat, mist en gehuil als was het van een wolf. En dan inzoemen op het lijk. Fuck me, zou ze zeggen, Bontje, en He-man zou de armen slap naast zijn lijf laten hangen. Het gehuil zou wegsterven en overgaan in aanzwellende sirenes…

Genocide, maar we zoeken nog bewijs

Rot, wat ze met de Oeigoeren uithalen, echt wel, maar laten we het zuiver houden, en eerst een sematische discussie voeren over of het nou genocide is of toch misdaden tegen de menselijkheid, want dat kan je niet secuur genoeg afbakenen; laten we daarna toch maar gaan wintersporten, want ja, zo met corona en zo kunnen we alle spelen die er zijn goed gebruiken om ons nationale moraal op te vijzelen, en ondertussen handelen we door, want handel drijven dat hoort bij ons als schimmel bij voeten, paling bij snot en hans bij worst.
En straks, als de diepgaande onderzoeken gedaan zijn en de conclusies getrokken en er nog maar een handjevol gehavende Oeigoeren over zijn, dan zeggen we gewoon: sorry!’
oeigoeren genocide, maar geen bewijs