Srinagar

…’In het centrum van de stad zijn overal soldaten: op daken achter zandzakken, achter barricades van plastic, achter prikkeldraad, onder granaatwerende netten; alleen en verloren om de vijftig meter langs de straten. Er worden regelmatig aanslagen gepleegd door jongens op motoren die in het voorbijgaan molotovcocktails of granaten naar om het even welk militair doelwit gooien. De soldaten zijn voortdurend op hun hoede. Ze lijken jong en bang en verdwaald in een conflict dat ouder is dan zijzelf; ze rijden rond, in groepjes en dan vol bravoure, in gepantserde jeeps, in hoge wagens met mitrailleurnesten boven de chauffeurscabine, in open trucks. Aan de rand van de stad liggen de kazernes, aan de weg naar de tuinen die door de Moghulheersers zijn aangelegd. In de heuvels rond de stad wordt de bevolking maar mondjesmaat toegelaten: dat is het leefgebied van militairen en politie.
Abdul wijst me de vervallen huizen van gevluchte of verjaagde hindoes aan. Toen het geweld begon, werden Kashmiri moslims en hindoes tegen elkaar uitgespeeld. Veel hindoes hebben de vallei in doodsangst verlaten. Ze leven nu al jaren in de uitzichtloosheid van vluchtelingenkampen, verteerd door verlangen naar hun verloren paradijs. De lege huizen wachten op terugkeer van hun bewoners. Sommige zijn uitgebrand, andere verkruimelen door verwaarlozing. Op een geblakerd huis zit onheilspellend stil een roofvogel.
Een Indiase vlag hangt slap tegen de pui van een gebouw dat ooit een vakbond huisvestte. Soldaten achter de ramen. Sommige openingen zijn dichtgemaakt met platgeslagen olieblikken. Het blanke metaal schittert in de zon.
Op de plek waar vroeger het India Coffee House stond is nu een luxe broodjes- en gebakzaak. Ook de cliëntèle is veranderd: hippe jongeren eten pizzaslices en gevulde bladerdeegflapjes bij een cappuccino. Vroeger was het India Coffee House een ontmoetingsplaats voor politieke en militante leiders, die er bij potten koffie de toekomst van hun land bespraken. Er liepen obers in livrei rond, met tulbanden op hun hoofd, die je de krant brachten, op tijd de asbak leegden, en regelmatig kwamen vragen of alles naar wens was. Toen de strijd verhardde van discussie naar wapengekletter werd het koffiehuis een doelwit. De oude sfeer is weggevaagd in een golf van aanslagen. Niets is er over, geen obers, geen geroezemoes, geen geritsel van kranten, geen geanimeerde of geagiteerde gesprekken. Ik zit er herinneringen te romantiseren aan een formicatafel bij een zelfbedieningsbuffet, achter koffie uit een papieren bekertje.
In de Jama Mashid is het stil. De vrijdagmoskee is een vierkant gebouw met gras op de binnenplaats en een bassin met water. Een moeder wast er de handen van haar kind. Het complex wordt opgeknapt, de houten plaatjes die het dak bedekten zijn tijdelijk vervangen door ijzeren golfplaten. De muren worden oudroze geschilderd en de enorme houten pilaren opnieuw in de lak gezet. We beklimmen een smal trapje in een hoektoren. De treden zijn glad en bedekt met vogelpoep en verdroogd gras. Op een overloopje dat uitzicht biedt op het moskeeterrein staat een lege Philipsdoos – LET’S MAKE THINGS BETTER.
Rond de moskee is een levendige markt. Nomadenvrouwen verkopen vis uit het meer. Ze lachen en maken vast en zeker grove grappen terwijl ze me hun vissen bijna in het gezicht duwen. Plakkerige handen tegen mijn wangen, armen om mijn schouder voor een foto. Abdul zegt dat iedereen blij is weer eens een wit gezicht te zien. `Ze hopen dat jij een voorbode bent van een nieuwe stroom toeristen zodat ze weer eens echt geld kunnen verdienen.’
Op de markt is het gemoedelijker dan je in een bezette stad verwacht. Namaakbloemen in lawaaierige kleuren zijn er te koop. Een slager zit naast een berg geitenpoten het vlees van een kop te fileren, ogen liggen in een aparte bak, en ik moet geloven dat de hersens echt het lekkerst zijn. Felgekleurde plastic huisraad en serviesgoed in grote stapels opgetast in wel tien kraampjes naast elkaar, met allemaal precies hetzelfde aanbod. In een apart steegje handelen stuurse mannen in strenge vrouwenkleding. De plaatselijke variant van de burqa’s voor de oude vrouwen: zware, dikke lappen met veel horizontale plooien, zodat het kledingstuk als een uitstaande tent van hoofd en schouders hangt. De hijab voor de jongere vrouw. Een hijab is een lange jas en een tweedelige doek die de haren bedekt en het gezicht afschermt. Net als bij de Afghaanse burqa heeft de hoofdtooi een gaaswerkje voor de oogopening. Ik betast een paar gewaden, ze zijn gemaakt van dunne, zwarte, synthetische stof. Ik laat Abdul vragen wat ze kosten.
`Wil je er een kopen?’ vraagt hij verbaasd.
Even twijfel ik: zal ik? Dan schiet Varanasi me in gedachten, waar een enthousiaste koopman me hulde in een zuiver zijden bruidssari, geborduurd met ragfijn gouddraad, en na me van alle kanten bewonderd te hebben, zei dat ik het prachtgewaad toch met carnaval kon dragen. En die sari was nog mooi. Wat zou ik dan met slechtgenaaide synthetische zwarte lappen moeten? Zonde van de pakweg twintig euro die het blijkt te kosten.
Bij lange na niet alle vrouwen zijn op goed islamitische wijze bedekt. Velen dragen de broek-jurk-sjaal combinatie voor vrouwen die een zekere kuisheid willen uitdragen, maar zich niet sluieren. Op de markt zijn volop winkels waar fleurig bedrukte stoffen voor die kleren te koop worden aangeboden. Er zijn groentekarren, theestalletjes, fruitventers, snackverkopers en bakkers. Het is druk en er is geen soldaat te zien. Dit stukje Srinagar is van de burgers. Te krap voor soldaten, te onoverzichtelijk. Te vrolijk ook, te levendig.
We eten aan de straat een traditioneel bruiloftsgerecht: balletjes gemaakt van tot pulp geslagen lamsvlees en kruiden in een saus. In het tweetafelige restaurantje zitten drie jonge mannen. Sinds ik binnen ben zitten ze druk te fluisteren.
Dan komt een van hen overeind, en in de houding staand oreert hij: `Israel very bad. America also very bad. Osama bin Laden very good, best muslim.’
Hij gaat weer zitten en lacht als een tevreden puber.
`Leuke zonnebril heb je,’ zegt een van de andere jongens. ….’

Fragment uit: Geboortegrond, Wereldbibliotheek, 2010

Kashmir

… “We rijden door het gebied rond Tiger Hill, waar in 1999 een burenoorlog werd uitgevochten. Toen in dat jaar de sneeuw smolt, bleek dat Pakistaanse troepen de Line of Control waren overgestoken en posities hadden betrokken vlakbij Kargil. India werd totaal verrast. Pakistan deed alsof zij er niks mee te maken had, dat het ging om Kashmiri militanten, maar al snel werd duidelijk dat de troepen gelieerd waren aan het Pakistaanse leger. Er werd flink gevochten, er vielen doden aan beide kanten, er ontstond een razend mediacircus en er dreigde nucleaire escalatie. Onder internationale druk trok Pakistan zijn troepen terug, en claimde India de overwinning.
In de nasleep van Kargil volgde in de herfst van 1999 een staatsgreep in Pakistan die Musharraf – legerleider en ISI-man, die wordt gezien als de kwade genius achter de oorlog – aan de macht bracht. Ik herinner me de nog grotere militaire aanwezigheid in Leh, de kapotgeschoten huizen in Kargil, het gebombardeerde benzinestation, de kogels die door de nacht floten, en dat een deel van de weg alleen in het donker en zonder licht aan berijdbaar was. Nu zijn de directe sporen van oorlog verdwenen, zijn er duidelijk meer wegen aangelegd in het grensgebied om bij een volgend conflict sneller het zwaardere materieel aan te kunnen voeren. De hoofdweg is de enige geasfalteerde verbinding tussen Srinagar en Leh en dus een strategische slagader voor het gebied.
Het lijkt alsof we door een gemilitariseerde zone rijden, één groot legerkamp, met her en der een burgerlijke enclave, zoals Drass. Drass is de tweede koudste plek op aarde die permanent bewoond wordt. Het was er ooit min zestig graden, vertelt een bord de voorbijganger; kouder is het alleen in Siberië. Er is een oorlogsmonument, voor de oorlog in 1999, toen Drass midden in de frontlinie lag. Op de toegangspoort staat: I ONLY REGRET I HAVE BUT ONE LIFE TO LAY DOWN. Even verderop een reclamebord met: HOW CAN MAN DIE BETTER, THAN FACING FEARFUL ODDS. Zo midden in de onherbergzaamste bergen, waar de armoe en de achterstand uit de grond dampen en in de gezichten gekerfd staan; waar niemand bij volle verstand en met een werkelijk alternatief zou wonen, maken de spreuken een deerniswekkende indruk. Het doet me denken aan de oorlog op de Siachengletsjer, in Noord-Ladakh, waar Pakistani en Indiërs tegenover elkaar staan op een ijspiek, waar meer soldaten sneuvelen door onderkoeling of verdwijning in een gletsjerspleet dan door vijandelijk vuur, en meer manschappen gewond raken door bevriezing dan door kogels.

De weg omhoog naar de Zojila, de pas die Ladakh van Kashmir scheidt, gaat door een steeds smallere kloof. Voor we beginnen aan de laatste klim naar de pas moeten we ons registreren. Achter een tafel zitten drie dik aangeklede mannen te wachten op voorbijgangers die niet van het leger zijn. Als hun enthousiasme bij ons verschijnen een graadmeter is, zijn dat er niet veel. We maken een praatje over de kou – als de zon achter de bergen zakt, vriest het hier gelijk al flink; over hoe lang de mannen nog moeten – een week of wat, verwachten ze; over de verveling die ze voelen, zo met z’n drieën in een tent, met alleen marmotten en arenden als gezelschap. Ik vul allerlei gegevens in en druk de mannen de hand. Ze waarschuwen nog: wees voorzichtig op de pas.
De Zojila zelf is akelig steil en leidt ons over een op het oog loodrechte wand door een diepe kloof. Er zijn tegenwoordig twee wegen, zodat je niet meer hoeft te wachten tot de weg vrijgegeven wordt voor of omhoog- of omlaaggaand verkeer.
We picknicken bij een rivier, bespied door soldaten die aan de andere kant van de weg hebben postgevat op een grote rots, gewapend met een mitrailleur op een statief en een verrekijker. Ze houden de beboste hellingen in de gaten, bedacht op subversieve acties. Over de weg rijdt een lang lint van trucks met materieel en troepen, in beide richtingen. Soldaten fluiten en joelen als ze ons in de gaten krijgen. De wintertrek is begonnen, het is september en de zomerkampementen worden ontmanteld in afwachting van de eerste sneeuw.
We rijden Srinagar binnen aan de kant van de oude stad, en gaan logeren in een hotelletje met parkeergelegenheid aan de boulevard, bij Nehru Park, waar de watergeur van het meer te ruiken is. Vanuit de moskee op de hoek van de straat klinken, als het donker is geworden, een uur of wat mannenstemmen die bidden en reciteren. Het is Ramadan, tijd voor bezinning. Voor de ingang van theehuisjes zijn lappen gespannen, zodat degenen die niet vasten wat kunnen drinken buiten het zicht van hen die niets nemen van zonsopgang tot zonsondergang. Aan de boulevard worden bij het vallen van de schemering de shikara’s afgemeerd, en krijgen de roeiers een melkachtige drank en stukjes appel aangeboden zodat ze gezamenlijk het vasten kunnen breken. ‘s Avonds verschijnen er wel stalletjes die kebab of gebakken vis verkopen, maar niet meer direct aan de boulevard tegenover Nehru Park, waar vroeger allerlei kraampjes stonden en waar je flaneren en slenteren kon. Er staat nu een grote gepantserde wagen met een wapen op zijn rug de politiepost te bewaken, en de kebabroosteraars zijn naar verder uit het centrum gebannen. Misschien vanwege Ramadan, misschien door de nasleep van de onrusten die gepaard gingen met het conflict over de landtoewijzing aan de Amarnath Shrine Board. Misschien is het business as usual. De agenten voor het politiebureau geven me geen antwoord, de mannen die overdag de shikara’s roeien halen hun schouders op. De man bij wie we gebakken vis kopen lacht en zegt: `This is Srinagar, my beautiful city’, en doet er verder ook het zwijgen toe. …”

Fragment uit: Geboortegrond, Wereldbibliotheek, 2010

Floris

Floris en Sindala. Jeugdsentiment 2.0. Daarom keek ik vanmorgen naar de eerste aflevering, die me werd aangeleverd in de necrologie voor Rutger Hauer, die weliswaar een prachtig exemplaar was van zinnelijke en stoere mannelijkheid, en waar ik met groot genoegen naar gekeken heb in al zijn verschijningsvormen (echt enge psychopaten daargelaten), maar om hem nou weg te zetten als de grootste Nederlandse acteur ‘ever’ is toch wel een tikkeltje overdreven, of grootsheid moet in deze worden afgemeten aan de mate van succes in het binnendringen in Hollywood.
Afijn, ik keek dus naar aflevering 1 van Floris, en vroeg me verwonderd af of we toen, in 1969, collectief echt veel onschuldiger waren dan we nu zijn: Floris in een tuniek waar de naaimachinegroeven nog rond de stiksels zitten, dikke soldaten in wapenrustingen van gladgestreken aluminiumfolie, een boomschorsalfabet dat uit een alfabetiseringspakket lijkt te zijn gestrooid, een in touwen gewikkelde maar nog blozende gevangene die later 2 pruiken over zijn eigen echte haar blijkt te hebben, zwaarden die doorbuigen als er een kist moet worden opengebroken, bezemstelen die recht uit de fabriek komen en tafels die bij het minste of geringste ineenstorten als in zwijm vallende jonkvrouwen.
Het lijkt zowaar wel de boreale wereld avant la lettre. Hoogst amusant.

Floris aflevering 1

Parkslapers

Toeristen, of ‘zelfredzame daklozen’?
(https://mens-en-samenleving.infonu.nl/sociaal/130436-dakloos-waar-mag-je-slapen-op-straat.html)

Vorige zomer, als ik vroeg op pad was met de hond, aan het begin van de dag, kwam ik regelmatig mensen tegen waaraan je kon zien dat ze de nacht in het park hadden doorgebracht. Nog niet echt wakker sjokten ze het struikgewas uit, of bogen zich over de grote vuilcontainers op zoek naar een ontbijt. In de winter is het ‘s ochtends stiller, de kou dwingt tot aanpassing en de deuren van de opvangplekken staan wijder open.
Vaak was er handhaving in het park, en als je je als parkslaper versliep waren de mannen van handhaving niet te beroerd om je wakker te porren. Of er nog bekeuringen worden uitgedeeld? Ik weet het niet. Parkslapen schijnt te vallen onder de wet op de landloperij, maar die is zo oud dat landloperij nog met twee o’s gespeld wordt.
Veel bankjes bij mij in de buurt hebben een anti-zwerver leuning in het midden gekregen, of zijn op een andere manier oncomfortabel gemaakt. Ik vind dat onnodig, maar als je zulke maatregelen wel nodig vindt, zorg er dan in ieder geval voor dat er voldoende nachtopvang is voor thuislozen.

De jongens op de foto’s lijken me overigens low budget toeristen, maar misschien zijn het zelfredzame daklozen…
(https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/29/ombudsman-gebrekkige-steun-voor-zelfredzame-daklozen-onacceptabel-a3955068)

Winterse dagen

Het is een zegen om op loopafstand van het Vondelpark te wonen en een hond te hebben die je ertoe aanzet elke dag op pad te gaan, in de vroege ochtend, als de stad aan het ontwaken is en je je in het park soms op een lommerrijk platteland kan wanen waar het leven langzamer gaat en de mensen elkaar nog groeten. En als de rijp dan op de takken ligt, een vlies van ijs de sloten glad maakt, de wind de wangen laat gloeien en de hond door de sneeuw danst, komen hij en ik samen dicht bij geluk.

Het ligt open

Al maanden nu ligt mijn straat open, eerst het stuk van de markt tot aan de leukste boekwinkel van West (Sterre der Zee), nu het gedeelte waar ik aan woon, en daarna volgt nog het laatste deel. Het gaat allemaal op z’n elf-en-dertigst, het duurt zo’n beetje tot de zomer voor de boel weer lekker aan kant is. Niet dat er niet gestaag doorgewerkt wordt, heus wel, maar het vordert gewoon niet snel. Eerst wordt de straat opengegooid omdat de elektriciteit vernieuwd moet worden. Dan gaat de straat weer dicht, om opnieuw opengemaakt te worden, nu om de riolering te vernieuwen. Bij vorst of echt ontij werkt men niet.
Voor elke klus komen andere ZZP’ers in actie, onder verschillende aannemers.
(Tijdens het werk aan het eerste gedeelte van de straat raakten twee werkmannen gewond omdat een graafmachine een stroomkabel raakte, waarop een ontploffing volgde. Een van de mannen werd met zware brandwonden naar het ziekenhuis gebracht. Dat ongeluk voel je een beetje natrillen als je vloer beweegt onder de pressie van de langsrijdende rupsbanden).
Sinds kort staat er, pal voor mijn raam, een pomp te pompen om water af te wateren. Dat is overdag best vervelend, erg wordt het als het donker is, en de doorgaans troostende stilte van de nacht wordt verstoord door luidruchtig gepomp, gezuig en gerochel van water dat wordt afgevoerd, geluiden die met gemak tot achter in het huis doordringen, ondanks de dubbele ramen.
Overal staan hekken, veel hekken, en op de te smalle stroken die als stoep resten liggen wiebelende ijzeren of stalen platen in de modder. Bij een van mijn buren staat een schaftkeet bijkans in zijn voorkamer, je moet tussen raam en keet voorbijschuiven om op het volgende stuk stoep te geraken. (Mijn hond moet eerst, of ik, samen tegelijk gaat niet).
Het is afzien.
Maar als het goed is en we tijd van leven hebben, krijgen we er een fraaie straat voor terug, met minder auto’s, meer fietsparkeerruimte, veel meer groen en toekomstbestendige regenwaterafdrijving.

(elf-en-dertigst: Volgens de verklaring van taalkundige F.A. Stoett in diens werk Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) had op zijn elfendertigst te maken met de trage wijze waarop de Staten van Friesland, bestaande uit de afgevaardigden van 11 steden en 30 grietenijen, overlegden.)

Klimt’s appelbomen

Deze ochtend ontmoette ik al associerend de bomen van Klimt. Het begon met een prachtige schilderij van een bloesemende boom in de lente waar mijn oog aan hechtte in de veelheid van beelden die elk wakend moment van de dag voorbijkomen. Het was een geweldig prettige verrassing, ik associeerde Klimt vooral met de Kus, veel goud en glans en gestileerdheid. Ook prachtig, maar die bomen…wat een levenslust.

Klimt’s berkenbomen

En na de levenslustige appelbomen, de verstilde berkenbossen, waar het leven verborgen zit in de weerkaatsing van licht op de witte schors, en het diepe groen van de bladeren. Berken die bij elkaar schuilen tegen de wind, en waar het zachte wiegen van de smalle stammen troostrijk is voor de eenzame wandelaar.

Een vroege Christmas carol

Voilà: een ‘stel je voor er komt oorlog en niemand gaat er naar toe’ idee: stel dat iedereen het bedrag dat hij of zij gaat spenderen aan het komende kerstdiner, weg geeft – let wel, het volle pond, zonder smokkel – en van het bedrag dat omwille van ‘vrede op aarde en in de mensen een welbehagen’ zou zijn geschonken aan een of ander goed doel, zelf eenvoudig doch voedzaam kerstdineert.

Want laten we wel zijn: van zo’n opgefokt kerstdiner zit iedereen vooral onaangenaam vol, en het ter tafel aangeschoven gezelschap houdt meestal ook niet over (denk die oom die na elk glas wijn rechtser ratelt, dat koket babbelende FvD nichtje en die tuttebel van een schoonzus, pfff); en aan hongerige, verarmde stad- en landgenoten geen gebrek.
Toegegeven, het is minder lief en naïef als die over oorlog – ik herinner me een zoete poster van een klein meisje met een emmertje op iets zanderigs -, maar het idee is eenvoudiger uitvoerbaar: je hebt het namelijk zelf in de hand, als je maar wilt.

Elk jaar, als de Sinterklaaskoophausse nog maar net voorbij is, begint elke kleinhandelaar en grootgrutter hier ten lande uit te pakken met allerlei overheerlijks in kerstsfeer. Dit jaar wordt er zelfs onomwonden gepleit voor een hele maand lang feest, want december is ‘gezellig’ en waarom die knusse tijd beperken tot twee dagen, als je de hele maand kan smikkelen en smullen? Genieten!
Tegelijk stoffen we ons gevoel voor de medemens af, want in de ‘donkere dagen’ dienen we onze compassie en onze empathie de vrije loop te laten, aangewakkerd door het kindeke Jezus in het kribje in ’t strooi. (‘het hagelt en tsneeuwde en twas er zo koud…’).
We stromen over van meelij met de minderbedeelden….

Laat ons ont-Scroogen.
Laten we niet wachten tot we onder die boom zitten. Laat vrijgevigheid niet afhangen van ‘Christmas passed’ of ‘Christmas yet to come’; zodat we niet pas nadat we in een aan ons geestesoog voorbijtrekkend filmpje hebben gezien hoe ellendig de toekomst kan zijn als we niet delen, die vette kalkoen bij Tiny Tim laten bezorgen.
Ik vind het best als het uit verlicht eigenbelang is, maar geef eens echt iets weg, iets wat je voelt, iets wat je mist.
Bijvoorbeeld aan de ‘Sociale Kruidenier’, waar mensen onder het bestaansminimum boodschappen zoals koffie, olie, shampoo of wasmiddel voor sterk gereduceerde prijzen kunnen kopen, zodat er ook voor voedselbankpakketontvangers nog eens wat te kiezen valt (http://www.socialekruidenier.nl/donaties); of aan één van de vele organisaties – er is er altijd één bij u in de buurt – die er met de feestdagen voor zorgen dat dak- en thuislozen eens wat anders in de buik krijgen dan soep. Of geef gewoon een AH kerstdinerbox, of een box van een andere grutter, aan iemand waarvan je weet dat het een feestelijke afwisseling is voor een dieet van brood-met-pindakaas en peperkoek, omdat dat zo goed vult. (Bestellen online mogelijk, dus anoniem laten bezorgen kan).

En als je dan toch gehecht bent aan je gerookte eendenpaté met portglazuur, geconfijte kwarteleitjes en vijgen-truffelmousse op een bedje van veldsla en jonge andijvie, dan durf ik wel te stellen dat je, wanneer je dat serveert, als voorgerechtje, je meer dan genoeg hebt om het financiële equivalent van die buitenissigheid weg te schenken. Desnoods eet je dan als hoofdgerecht gewoon lekker boerenkool.


(foto: de familie Cratchit aan het kerstdiner)

Femke, de boerka en de wet

De afgelopen jaren werkte ik in Myanmar, een land dat niet bepaald een stralend voorbeeld is van een rechtsstaat waar iedereen gelijk is voor de wet en waar wetten zonder aanziens des persoons worden uitgevoerd. In de gesprekken die ik daar voerde met activisten, ging het steevast over de rule of law, de rechtsstaat als basis voor vrijheid, gelijkheid en broederschap. Daar lijkt in eerste instantie weinig op af te dingen, maar al debatterende en onderzoekende kwamen mijn Myanmarese collega’s er allengs achter dat een rechtsstaat vraagt om rechtvaardige wetten, want, zo redeneerden ze, wat heeft het voor zin om je aan wetten te onderwerpen die je in angstige geknechtheid houden als je je aan een dictatuur aan het ontworstelen bent.
De campagnes die we daarop ontwierpen gingen over de noodzaak van rechtvaardige wetten, wetten die gemaakt waren als ondersteuning voor het grote verlangen naar vrijheid, gelijkheid, broederschap en rechtvaardigheid voor iedereen. Slaafse gehoorzaamheid aan onrechtvaardige wetten moest worden gekeerd met geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid.

Ik moest opnieuw aan deze discussies denken door de consternatie die burgemeester Halsema heeft veroorzaakt door te stellen dat het niet bij Amsterdam past om vrouwen met een boerka uit de tram te halen, en dat Amsterdam wat haar betreft het boerkaverbod (wet gedeeltelijk verbod gezicht bedekkende kleding) niet zal handhaven. Natuurlijk is de Nederlandse situatie niet te vergelijken met die in Myanmar. ‘Onze’ wetten worden gemaakt door een democratisch gekozen parlement en uitgevoerd door een apparaat dat min of meer transparant werkt en ter verantwoording kan worden geroepen. Ook dienen bestuurders zich aan de wet te houden en kunnen ze niet naar eigen inzicht grasduinen in de wetten om te zien welke ze willen uitvoeren en welke niet.

En toch blijft het knagen, dat boerkaverbod. Want wat als je het legt langs de meetlat voor rechtvaardige wetten? Is het rechtvaardig om pakweg 400 (en dat is een hele ruime schatting) burgers in Nederland het recht zich te kleden zoals ze dat wensen te ontzeggen omdat we gewend zijn geraakt aan terminologie als ‘kopvodden’ en ‘zandvrouwtjes’? Omdat het lekker makkelijk scoort bij het steeds rechtser wordende deel van het electoraat, en ook de gematigder partijen daar niet ongevoelig voor blijken, ondanks de mooipraterij over emancipatie van de moslima en dat we in Nederland allemaal meedoen; en dat meedoen nou eenmaal niet kan in al die lappen en dat de wet toch ook bivakmutsen en integraalhelmen verbiedt? Alsof je je kind van de crèche gaat halen met een bivakmuts aan, of in de wachtkamer van de dokter je integraalhelm lekker ophoudt.

Is het rechtvaardig om op basis van antipathie tegen een levensstijl de daarbij horende onwelgevallige kleding in de openbare ruimte te beboeten met maximaal € 410? Of is het toch de plicht van elke Nederlander, en dus ook van elke bestuurder, om zich te verzetten tegen onrechtvaardige maatregelen? Om te zeggen: niet onder mijn verantwoordelijkheid?
Een rechtsstaat heeft wetten nodig die bijdragen aan een rechtvaardige samenleving voor iedereen, met respect voor diversiteit en individuele keuzevrijheid die geen aantoonbare bedreiging vormt voor de samenleving. Iedere Nederlander heeft het recht om zich niet neer te leggen bij onrechtvaardige maatregelen, en zich vreedzaam te verzetten. Dat is het fundament van een vrije maatschappij.

(ook gepubliceerd op Joop.nl als ‘Bestuurder hoeft zich niet neer te leggen bij onrechtvaardige maatregelen’ )