Het weer is onzomers…

Het weer in onzomers, woelig, tergend en teisterend
de schamele oogst uit de moestuin illustreert
het gebrek aan zon en het teveel aan water
bramen verschrompelen aan hun struik
tomaten weigeren te kleuren
van de broccoli is de wortel verrot
of opgegeten door de larve van de broccoliwortelmot
de radijs wil niet bollen
het wortelloof plakt aan de drassige aarde
en de wijnrank schiet weliswaar omhoog
maar vruchten dragen: ho maar.

Dan ga je dus als vanzelf vragen stellen
waar je zo graag een antwoord op zou weten
terwijl elk antwoord de vraag overbodig maakt
en dus alles kapot…

Toch, aanzwellend als tinnitus
en dezelfde stoïcijnse attitude vergend,
zijn ze er: de vragen

wordt een bloem mooier als je haar naam kent;
een berg majestueuzer als je haar kunt benoemen;
krijgt iets meer betekenis als je weet waar je naar kijkt;
is de onbevangen blik te vangen in herinnering.

Kunnen we bestaan zonder taal?

Myanmar

Op deze herfstige zomerzondagochtend, terwijl de wind aan de druivenrank en de lathyrus voor mijn raam rukt, stormen door mijn hoofd herinneringen, wensen en verlangens aan en voor Myanmar, waar 8 8 88 alweer door zovele nieuwe uitbarstingen van verzet en moed is ingehaald, en waar het cyclische van hoop en wanhoop een heel eigen dimensie krijgt.

Overpeinzing

mijn benen bungelen in het water
mijn haar hangt aan een wolk
zo gezeten tussen hemel een aarde
overpeins ik de situatie van het volk

bejaarden in een luier
koeien met ontstoken uier
ambtenaren zonder geweten
kinderen die ’s ochtends niet ontbeten

een vrouw krijgt een kogel vanwege de eer
een mallewap gaat tegen de wereld te keer
een kabinet valt maar blijft overeind
het laatste exemplaar van een diersoort verdwijnt

migranten die werken voor uitbuitingslonen
daklozen die zich nergens kunnen verschonen
een slutgeshamed meisje dat zich verhangt
iemand die alles al heeft en nog meer verlangt

mijn benen zijn stijf
mijn haar is geklit
het geeft ook geen pas
dat ik hier maar zo zit

dat peinzen is leuk maar wat doet het ertoe
wat maakt het nou uit, één zo’n kind, één zo’n koe
want wat is het dat we ten diepste willen met z’n allen:
op een terras aan het bier en tot na middernacht brallen.

Volksbuurt cum zeloot

In mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje woont een zeloot. En deze zeloot is overactief. Eerst plakte hij (het is een hij, te oordelen aan de ongelapte ramen en de groezelige kozijnen van zijn residentie – ja, ik weet waar hij woont – niet omdat ik op de loer lig, maar omdat er een uitstalling van gedachtegoeduitingen op zijn ramen geplakt zijn en aan zijn balkonnetje wapperen), eerst plakte hij dus op vuilbakken, wildplakzuilen en kale muren zijn dringende aansporing dat we ons sneue leven moesten beteren, omdat Satan onder ons is, (Hel! Verdoemenis!), afgewisseld met het blijere ‘Jezus leeft!’. (Waarvan mij dan weer de logica ontgaat: als Hij leeft, waarom is de Satan dan zo schijnbaar oppermachtig? Dat leggen ze nou nooit eens bevredigend uit…)

Maar nu heeft de zeloot de verkeersborden ontdekt. En aangezien er in mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje altijd wel ergens een straat is opgebroken, zwerven er veel borden rond. Ideaal voor korte, krachtige leuzen.
Gestickerd wordt er ook volop, maar die uitingen zijn net een tikje gelikter, strakker, beeldender ook. Daar zit een meer gestroomlijnde cq. georganiseerde ideeënmaffia achter. Onze zeloot is een eenling, dorstend zwerft hij door zijn eigen woestijn.

Hoop en leven

1. Lang, heel lang geleden was er een meisje op reis in een ver en vreemd land. Daar waren heel veel dingen wel, en sommige dingen niet. Daardoor vielen er werelden te ontdekken, gevestigde ideetjes te verlaten en floreerde de fantasie. Op een goede dag moest er ontlast worden. Maar er waren geen stilletjes, geen privaten en er waren ook geen kleinste huisjes. Zij hurkte in een bos achter een boom. Nog maar nauwelijks begonnen klonk er vanachter haar een blijmoedig grommerig geluid. Haar positie verhinderde haar om te kijken, noodgedwongen ging ze door waar ze mee bezig was, terwijl het geluid achter haar aanzwol tot niets minder dan wellustig geknor. Haastig opstaand deed zij een stap of wat naar voren en keek om en zag…
2. Zestiende eeuwse messen met een muziekje erop. Zodat de gasten kunnen oefenen voor het gezamenlijk gezang na de maaltijd…

Jeroen

Je kunt als je dat wilt van alles zeggen over Jeroen van Merwijk. En dat gebeurt nu dan ook volop. Maar waarom zou je, als je Jeroen zijn eigen woorden hebt?
Een van zijn heel vele mooie liedjes:

‘De brug en de stad en het land en de trage rivier
De smaak van weleer op de tong na de slok van het bier
De rook uit het huis in de verre vallei
De glans van fluweel op het lijf van de bij
De geur van de zon op de straat na de stortbui
En jij

De schok van elektriciteit door de flank van het ree
De blik van de vrouw naar de man in het volle café
De sporter, de training, de liefhebberij
Het vogelgezang op de avond in mei
Het haar in de wind op het strand van de Noordzee
En jij

Het licht en de lucht en de boot en het zeil en het meer
Het publiek, de trapeze, de tijgers, de clowns en de beer
Het doolhof, de siertuin, de waterpartij
De plooi van de stof in een oud schilderij
De koetsen, de vlaggen, de juichende mensen
En jij
De koetsen, de vlaggen, de juichende mensen
En jij

Bontje en He-man

Mijn hond en ik maken onze ochtendwandeling. In een opengebroken straat – er is altijd wel een opengebroken straat in mijn buurtje – hoor ik hakken klikken op de ijzeren platen voor ik de draagster ervan uit de mist zie opdoemen. Haar broek is langer dan zij. Ze draagt er een kek jasje van op wolvenhaar gelijkend bont op. Naast haar een man, leren jack, muts over de oren. Zij zegt: ‘come on, she just wants to fuck you’. En ze lacht. Uit haar metgezel komt een grom (mijn hond spitst zijn oren) en daarna staat hij stil, steekt zijn armen in een overwinningsgebaar de lucht in en begint zich dan ritmisch op de borst te kloppen. Ik wilde dat ik mijn hond kon regisseren, dan liet ik hem ter plekke zijn prachtige wolfskreten slaken. Openingsscene van een film: Bontje, He-man, opengebroken straat, mist en gehuil als was het van een wolf. En dan inzoemen op het lijk. Fuck me, zou ze zeggen, Bontje, en He-man zou de armen slap naast zijn lijf laten hangen. Het gehuil zou wegsterven en overgaan in aanzwellende sirenes…

Genocide, maar we zoeken nog bewijs

Rot, wat ze met de Oeigoeren uithalen, echt wel, maar laten we het zuiver houden, en eerst een sematische discussie voeren over of het nou genocide is of toch misdaden tegen de menselijkheid, want dat kan je niet secuur genoeg afbakenen; laten we daarna toch maar gaan wintersporten, want ja, zo met corona en zo kunnen we alle spelen die er zijn goed gebruiken om ons nationale moraal op te vijzelen, en ondertussen handelen we door, want handel drijven dat hoort bij ons als schimmel bij voeten, paling bij snot en hans bij worst.
En straks, als de diepgaande onderzoeken gedaan zijn en de conclusies getrokken en er nog maar een handjevol gehavende Oeigoeren over zijn, dan zeggen we gewoon: sorry!’
oeigoeren genocide, maar geen bewijs

Lulleby for Myanmar

Let’s drown the shadows of darkness
as they lure the light away,
let’s build a fire, out there, at the far end,
where sandy hills attack the rock.

No, we will not talk,
we will not touch.
We will sit and tend the fire.

We will not sing
we will not sleep
till the fire dies and the waters drain away
and darkness disappears as if it never was.

FFok what = love of de charitatieve reflex

Vanochtend, het is nog donker, wandel ik met mijn hond door de stille straten van mijn buurt. Langs de kade waar fietsen vastgeketend aan de reling de doorgang belemmeren, door het groenstrookje / speeltuintje bij de kinderboerderij – waar ik onlangs door een boze bejaarde bijna met een paraplu werd geslagen omdat ik met hond in een kinderspeeltuintje liep. Of ik het verbodsbord soms niet had gezien? Of ik niet wist dat de hondenpis tegen de klimhekken aan klotste en de stront aan de schommelpoten zat? Het hielp niet dat ik handenvol poepzakjes uit mijn jas trok en hem vertelde dat ik alle poep altijd opraapte, hij vond me een asociaal wijf. En ergens had hij natuurlijk wel een punt, maar dat terzijde. Tegen wil en dank moest ik, terwijl de parapluzwaaiende meneer weer richting zijn in een sussende woordenstroom gedrenkte eega strompelde, een beetje lachen om de absurditeit van alles.
Bij de uitgang van het parkje lag er toen een jonge man in een slaapzak tegen het gaas van de pannakooi te slapen, op een matras van afgevallen bladeren. Hij klemde met zijn schouder een rugzakje tegen het gaas.
Om het kinderboerderijparkje uit te komen, moet je door een anti-fietsenhek. Daar liggen meestal grote hompen brood, maar vandaag lag er voor de variatie peperkoek. Mijn hond is dol op alle vreten dat hij op straat vindt – en er ligt veel, heel veel eten op straat, alsof het mode is om je afhaalmaaltijd maar half te nuttigen en dan bij een struik achter te laten; maar een paar happen te nemen van je hamburger en de rest uit je handen te laten vallen waar je loopt; of de overgebleven croissants uit de familiezak op straat of naast de afvalbak te flikkeren, plastic en al – maar hij, mijn hond dus, mag van mij niet van de straat eten, want hij krijgt er buikpijn van en diarree. Dat eerste is vervelend voor de hond, dat laatste ook voor mij – denk aan de poepzakjes en stel je voor….
We steken een grote straat over. Het is te merken dat er weer een tandje bij de lockdown is gezet, want we kunnen direct doorlopen naar de overkant, terwijl het in de afgelopen weken bij dit oversteekpunt leek alsof tout Amsterdam gewoon weer naar het werk fietste en/of autoode. Ik loop langs het buurthuis, dat gisteren nog dienst deed als toevluchtsoord voor de door het leven niet ruim bedeelden, compleet met kerstlampjes en een uitnodigende ster voor het raam.
Er rijden nog wel wat ouders of verzorgers met bakfiets- of zelffietsende kinderen. Die laatsten hebben helmpjes op. Morgen is ook dat in de ochtenduren van de baan, en blijft alle kroost weer thuis bij hun steeds gestresster rakende, toch al overwerkte ouders die de eindejaarssprint nu moeten combineren met ervoor zorgen dat hun aandachtslurpende bundeltjes geluk hun huiswerk maken en de tent niet afbreken.
Mijn hond is bezig aan zijn snuffelstuk, elk sprietje groen, elke boom, elk paaltje, alle geveltuintjes, alles wordt besnuffeld en soms besproeid. Plotsteling schiet hij omhoog alsof hij auditie doet voor een tekenfilm. Hij schrikt van een bundel die tussen een geparkeerde auto en een boom ligt opgekruld. Even lijkt het op een buitenmodel vuilniszak, maar het is een mens, die ineengerold in een slaapzak in de boomkrans ligt, rugzakje beschermend voor zijn gezicht. Het regent zachtjes, de slaapzak glimt een beetje in het zwakke ochtendlicht.
Wij lopen door, hond en ik. Langs het café waar ze patat waren gaan verkopen maar dat nu dus nog dichter moet dan eerder. Door de opengebroken straat waar al dagen een put vol onwelriekend water het voortuintje vormt van een woonboot – die van de weeromstuit extra uitbundig is versierd met lampjes en een verlicht hert.
Over de markt, door het mooiste straatje van de buurt, nog een hoop nat brood omzeilend, komen we weer thuis.
Daar wacht het bericht dat onze lieve stad extra geld heeft uitgetrokken om de sloebers door de coronawinter heen te helpen in de vorm van onder andere extra voedselbankbonnen, gratis ouweklerenophaalpunten en een paar extra nachtopvangbedden.
Het wachten is nu op grootse aankondigingen van corona proof kerstsoep-uitdelingen en andere uitingen van de charitatieve reflex waar we massaal inschieten in ‘de donkere dagen’, omdat we structurele hulp en betere, eerlijker verdeling van goederen en geluk uiteindelijk toch weer net een politieke brug te ver vinden.