Parkslapers

Toeristen, of ‘zelfredzame daklozen’?
(https://mens-en-samenleving.infonu.nl/sociaal/130436-dakloos-waar-mag-je-slapen-op-straat.html)

Vorige zomer, als ik vroeg op pad was met de hond, aan het begin van de dag, kwam ik regelmatig mensen tegen waaraan je kon zien dat ze de nacht in het park hadden doorgebracht. Nog niet echt wakker sjokten ze het struikgewas uit, of bogen zich over de grote vuilcontainers op zoek naar een ontbijt. In de winter is het ‘s ochtends stiller, de kou dwingt tot aanpassing en de deuren van de opvangplekken staan wijder open.
Vaak was er handhaving in het park, en als je je als parkslaper versliep waren de mannen van handhaving niet te beroerd om je wakker te porren. Of er nog bekeuringen worden uitgedeeld? Ik weet het niet. Parkslapen schijnt te vallen onder de wet op de landloperij, maar die is zo oud dat landloperij nog met twee o’s gespeld wordt.
Veel bankjes bij mij in de buurt hebben een anti-zwerver leuning in het midden gekregen, of zijn op een andere manier oncomfortabel gemaakt. Ik vind dat onnodig, maar als je zulke maatregelen wel nodig vindt, zorg er dan in ieder geval voor dat er voldoende nachtopvang is voor thuislozen.

De jongens op de foto’s lijken me overigens low budget toeristen, maar misschien zijn het zelfredzame daklozen…
(https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/29/ombudsman-gebrekkige-steun-voor-zelfredzame-daklozen-onacceptabel-a3955068)

Winterse dagen

Het is een zegen om op loopafstand van het Vondelpark te wonen en een hond te hebben die je ertoe aanzet elke dag op pad te gaan, in de vroege ochtend, als de stad aan het ontwaken is en je je in het park soms op een lommerrijk platteland kan wanen waar het leven langzamer gaat en de mensen elkaar nog groeten. En als de rijp dan op de takken ligt, een vlies van ijs de sloten glad maakt, de wind de wangen laat gloeien en de hond door de sneeuw danst, komen hij en ik samen dicht bij geluk.

Het ligt open

Al maanden nu ligt mijn straat open, eerst het stuk van de markt tot aan de leukste boekwinkel van West (Sterre der Zee), nu het gedeelte waar ik aan woon, en daarna volgt nog het laatste deel. Het gaat allemaal op z’n elf-en-dertigst, het duurt zo’n beetje tot de zomer voor de boel weer lekker aan kant is. Niet dat er niet gestaag doorgewerkt wordt, heus wel, maar het vordert gewoon niet snel. Eerst wordt de straat opengegooid omdat de elektriciteit vernieuwd moet worden. Dan gaat de straat weer dicht, om opnieuw opengemaakt te worden, nu om de riolering te vernieuwen. Bij vorst of echt ontij werkt men niet.
Voor elke klus komen andere ZZP’ers in actie, onder verschillende aannemers.
(Tijdens het werk aan het eerste gedeelte van de straat raakten twee werkmannen gewond omdat een graafmachine een stroomkabel raakte, waarop een ontploffing volgde. Een van de mannen werd met zware brandwonden naar het ziekenhuis gebracht. Dat ongeluk voel je een beetje natrillen als je vloer beweegt onder de pressie van de langsrijdende rupsbanden).
Sinds kort staat er, pal voor mijn raam, een pomp te pompen om water af te wateren. Dat is overdag best vervelend, erg wordt het als het donker is, en de doorgaans troostende stilte van de nacht wordt verstoord door luidruchtig gepomp, gezuig en gerochel van water dat wordt afgevoerd, geluiden die met gemak tot achter in het huis doordringen, ondanks de dubbele ramen.
Overal staan hekken, veel hekken, en op de te smalle stroken die als stoep resten liggen wiebelende ijzeren of stalen platen in de modder. Bij een van mijn buren staat een schaftkeet bijkans in zijn voorkamer, je moet tussen raam en keet voorbijschuiven om op het volgende stuk stoep te geraken. (Mijn hond moet eerst, of ik, samen tegelijk gaat niet).
Het is afzien.
Maar als het goed is en we tijd van leven hebben, krijgen we er een fraaie straat voor terug, met minder auto’s, meer fietsparkeerruimte, veel meer groen en toekomstbestendige regenwaterafdrijving.

(elf-en-dertigst: Volgens de verklaring van taalkundige F.A. Stoett in diens werk Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) had op zijn elfendertigst te maken met de trage wijze waarop de Staten van Friesland, bestaande uit de afgevaardigden van 11 steden en 30 grietenijen, overlegden.)

Femke, de boerka en de wet

De afgelopen jaren werkte ik in Myanmar, een land dat niet bepaald een stralend voorbeeld is van een rechtsstaat waar iedereen gelijk is voor de wet en waar wetten zonder aanziens des persoons worden uitgevoerd. In de gesprekken die ik daar voerde met activisten, ging het steevast over de rule of law, de rechtsstaat als basis voor vrijheid, gelijkheid en broederschap. Daar lijkt in eerste instantie weinig op af te dingen, maar al debatterende en onderzoekende kwamen mijn Myanmarese collega’s er allengs achter dat een rechtsstaat vraagt om rechtvaardige wetten, want, zo redeneerden ze, wat heeft het voor zin om je aan wetten te onderwerpen die je in angstige geknechtheid houden als je je aan een dictatuur aan het ontworstelen bent.
De campagnes die we daarop ontwierpen gingen over de noodzaak van rechtvaardige wetten, wetten die gemaakt waren als ondersteuning voor het grote verlangen naar vrijheid, gelijkheid, broederschap en rechtvaardigheid voor iedereen. Slaafse gehoorzaamheid aan onrechtvaardige wetten moest worden gekeerd met geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid.

Ik moest opnieuw aan deze discussies denken door de consternatie die burgemeester Halsema heeft veroorzaakt door te stellen dat het niet bij Amsterdam past om vrouwen met een boerka uit de tram te halen, en dat Amsterdam wat haar betreft het boerkaverbod (wet gedeeltelijk verbod gezicht bedekkende kleding) niet zal handhaven. Natuurlijk is de Nederlandse situatie niet te vergelijken met die in Myanmar. ‘Onze’ wetten worden gemaakt door een democratisch gekozen parlement en uitgevoerd door een apparaat dat min of meer transparant werkt en ter verantwoording kan worden geroepen. Ook dienen bestuurders zich aan de wet te houden en kunnen ze niet naar eigen inzicht grasduinen in de wetten om te zien welke ze willen uitvoeren en welke niet.

En toch blijft het knagen, dat boerkaverbod. Want wat als je het legt langs de meetlat voor rechtvaardige wetten? Is het rechtvaardig om pakweg 400 (en dat is een hele ruime schatting) burgers in Nederland het recht zich te kleden zoals ze dat wensen te ontzeggen omdat we gewend zijn geraakt aan terminologie als ‘kopvodden’ en ‘zandvrouwtjes’? Omdat het lekker makkelijk scoort bij het steeds rechtser wordende deel van het electoraat, en ook de gematigder partijen daar niet ongevoelig voor blijken, ondanks de mooipraterij over emancipatie van de moslima en dat we in Nederland allemaal meedoen; en dat meedoen nou eenmaal niet kan in al die lappen en dat de wet toch ook bivakmutsen en integraalhelmen verbiedt? Alsof je je kind van de crèche gaat halen met een bivakmuts aan, of in de wachtkamer van de dokter je integraalhelm lekker ophoudt.

Is het rechtvaardig om op basis van antipathie tegen een levensstijl de daarbij horende onwelgevallige kleding in de openbare ruimte te beboeten met maximaal € 410? Of is het toch de plicht van elke Nederlander, en dus ook van elke bestuurder, om zich te verzetten tegen onrechtvaardige maatregelen? Om te zeggen: niet onder mijn verantwoordelijkheid?
Een rechtsstaat heeft wetten nodig die bijdragen aan een rechtvaardige samenleving voor iedereen, met respect voor diversiteit en individuele keuzevrijheid die geen aantoonbare bedreiging vormt voor de samenleving. Iedere Nederlander heeft het recht om zich niet neer te leggen bij onrechtvaardige maatregelen, en zich vreedzaam te verzetten. Dat is het fundament van een vrije maatschappij.

(ook gepubliceerd op Joop.nl als ‘Bestuurder hoeft zich niet neer te leggen bij onrechtvaardige maatregelen’ )

Revolutie

Magisch Centrum Amsterdam, tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Affiches en memoralia uit een tijd dat de revolutie zich in de straten, de pleinen en parken van onze stad afspeelde en de solidariteit van de gevels droop. Nu hangt een residu van dit alles achter glas of perspex in het museum…. Desondanks genoten.

Ontwakende stad

Vanmorgen opende ik rond half acht de voordeur om met hond Dinah te gaan wandelen. Vanaf de linkerhoek van de straat blonk een hard-blauwig licht en klonk onheilspellend gerommel en gebeuk. Vanaf de rechterhoek golfde felgeel licht de nog donkere straat in om de eerste bulldozers die bezig zijn de opengegraven straat weer dicht te gooien bij te lichten. Door de straat walmde een geur van schroeiend rubber en brandend plastic. Dinah, meestal toch opgewekt als er na een nacht rust naar buiten gegaan kan worden, kromp ineen. Hij moest overgehaald worden om zich in beweging te zetten. We kozen voor de richting van het gele licht, ook omdat van die kant het minste gedreun kwam.
Dinah, schrikkerig en geagiteerd, liep zo snel als hij kon langs de hekken waarmee de openliggende straat is afgezet, tot aan de hoofdweg, die we overstaken. Richting park.
Maar zover kwamen we niet, want het Vredespleintje bij de school wordt omgewoeld, de betonnen tribune wordt met drilboren aan gruzels gedrild, en Dinah voelde er weinig voor de voortgang van het vernieuwingsproject van dichtbij te bekijken. Verderop, aan de kade werd ook al gewerkt, met dezelfde felle lichten, met veel gedender en – zeker voor hondenoren – onbestemde geluiden. We maakten rechtsomkeert, dan maar geen park, en we namen smalle, rustige buurtstraatjes waar het nog gewoon licht werd en waar hondlief tot rust kon komen tussen de bloembakken die op de stoepen voor de woonboten de wegen een parkige aanblik geven.

Ik begrijp best dat er gewerkt moet worden, dat een stad onderhoud behoeft. Ik snap ook dat dat overlast geeft en gedoe en te volle vuilbakken en nergens je fiets kwijt kunnen en kilo’s zand je huis in lopen, en andere overkomelijke rottigheid, zoals schichtige dieren die er niks van begrijpen dat hun vertrouwde plekjes erbij liggen als open wonden. Maar wat ik niet snap is dat er ‘s morgens om zeven uur knalharde verlichting op het werk moet worden gezet en dat er op dat helse tijdstip lawaai gemaakt moet worden alsof de wereld vergaat. Kan dat niet gewoon op een mens-, kind- en diervriendelijker tijdstip? Als het al licht is? En dan doorwerken tot vijf uur in plaats van rond drie uur, half vier opbreken? Of, als het gaat winteren, stoppen als het donker wordt? Volgens mij is dat win-win-win: een blije buurt (inclusief blije dieren), werkers die zich niet bij nacht en ontij naar een karwei hoeven slepen, en ook nog bakken energie besparen.

Rode bieten

Oud West, zo is me verteld, is het dichtsbevolkte, dichtsbebouwde en meest versteende deel van Amsterdam. Dat merk je als bewoner wel en niet: wel, omdat er overal voortdurend gebouwd wordt en je op bijna elk uur van de dag zowat struikelt over de overal aanwezige medemens – buren, bezoekers en buitenlui, tegenwoordig vaak in gezelschap van een rolkoffer; niet, omdat er overal kleine parkjes, plantsoentjes, boomtuintjes, plantenbakken en andere groenvoorzieningen zijn die door bewoners en gemeente liefdevol onderhouden worden.
Een van die juweeltjes is het Nicolaas Beetsplantsoen. Behalve een overdadig bloeiende blauwe regen die als een baldakijn over de bankjes hangt, is er een ook groentetuin. Met groenten, kleine fruitboompjes, bijenhotelletjes en bloemen.
Vandaag stonden er kraampjes op het plein en werden er allerlei groen- en zelf doen ideeën getoond en uitgelegd. Op een van de kramen lag verse groente uit de tuin in de nazomerzon te glanzen. Ik raakte aan de praat met een leuke vrouw die vol enthousiasme over de buurttuin vertelde en die me ten afscheid twee rode bieten meegaf, vers van het land, met het loof er nog aan. Daar liep ik mee verder over het plein, langs de andere kraampjes – groendaken, wormen- en bijenhotels, composteren voor beginners en gevorderden, tomatenplantjes, dat soort dingen -, een klein beetje landleven midden in de stad. Een oudere dame sprak me aan. Alsof we even in een dorp waren, waar men nog een beetje op elkaar let, zei ze vriendelijk bezorgd tegen me: `die groenten mag je niet zomaar plukken, dat is denk ik niet de bedoeling’. `Nee, mevrouw, dat denk ik ook niet’, lachte ik naar haar, en zei dat ik de bieten gekregen had. Ze lachte opgelucht terug. Ik vond dat lief, dat bezorgde en het vriendelijke, en was blij dat mevrouw zich vrij en veilig genoeg voelde om me aan te spreken. In hartje Amsterdam. Midden tussen de volle grond groenten.