Klein geluk

Gisteravond. Het was laat en donker. Het regende pijpestelen en ik was moe. Op Station Sloterdijk reden twee trams aan met ‘geen dienst’ erop. Ook de bus die ik dacht te nemen blinkte ‘geen dienst’ boven de voorruit. Ik liep van bord naar bord, maar nergens werd een nachtbus aangekondigd. Besluiteloos stond ik daar, in de drup. Het was een end lopen naar huis, door een verlaten stuk semi- industrie- en kantorengebied tot aan een bushalte in Bos en Lommer. En dan maar afwachten of er een nachtbus komt. Hoegenaamd geen wenkend perspectief. Piepend in de rails kwam er nog een tram aanrijden. ‘Geen dienst’. Toch liep ik naar de chauffeur om te vragen of die wist of en hoe ik naar oud-West kon komen. De man keek me even aan en zei toen: ‘Stap maar in. Ik ga maar de remise, ik kom er zo goed als langs. Nee, betalen hoeft niet hoor. Ik heb geen dienst meer, haha. Ga maar lekker zitten.’
Ik ging zitten. We begonnen een praatje. Ik wees naar de beeldschermen voor zijn neus die de route in real time weergaven. Hij vertelde dat het er strak uitzag, maar dat zijn werk in het nieuwste trammodel oersaai was geworden. ‘Je hoeft alleen maar op een knop te drukken, verder gaat alles vanzelf. Ik zit hier dus maar te hangen. Dan duurt zo’n dienst lang hoor! Nee, geef mij maar de oudere modellen. Dan had je wat te doen. Dan had je een stuur in handen.’ Dat snapte ik.
Hij zette me vlak bij huis af. ‘Wel thuis, en slaap lekker. Dag!’ Ik liep door een stil parkje naar huis. Het regende hard. Ik rook de geur van het kinderboerderijvarken. Ik huppelde bijna van klein geluk.

Op straat…

Kind (krijsend): ‘auto, auto.’ Prikkerig wijzend mollig vingertje.
Mama (rustig): ‘nee, Sammie, dat is geen auto, dat is een mevrouw.’
De mevrouw in kwestie schiet verschrikt een modezaak in en mama sleurt haar nadreinende en ‘auto, auto’ pruttelende Sammie naar de overkant van de straat. Het kind kijkt niet omhoog.
Dat is de tweede l.o.l. voor vandaag. De eerste was op weg naar de markt. Een schermutseling tussen een pakketbezorger in zijn bestelbus en een snelle-autopatser. Pakketbezorger timide, snelle-autopatser uit z’n open dak. Bestelbus rijdt achteruit, geeft snelle-autopatser de ruimte, waarna ik een steeds rodere en bozere snelle-autopatser kan volgen in het nergens op uitkomende doolhof rond de opengebroken hoofdstraat. Zijn blonde vriendin naast hem zichtbaar gegeneerd, ondanks ongetwijfeld de gewenning.
Het wordt een mooie dag.

Pinnen waterpassen

Er loopt een man met een soort streepjescodescanner langs de puien bij de kade. Hij richt op waar de huizen de grond raken en drukt af.
‘Wat bent u aan het doen?’
‘Ik temperatuur de gebouwen.’
‘O. Waarom?’
‘We gaan de pinnen waterpassen.’
Nu ben ik dol op een beetje cryptiek in de vroege ochtend, maar dit behoefde enige toelichting.
‘We meten of de kade verzakt. Dat doen we elke maand door de afstand van kade tot pinnen te meten. Daarvoor moeten we ook de temperatuur van de gebouwen meten, wat dat heeft invloed op de afstand.’
‘O.’ Zei ik. Ik snapte het nog net. Relatieve afstand enzo. Verzakking meten. Kadestabiliteit.
Later thuis zag ik in mij pui, op ongeveer 15 tot 20 cm van de grond af de pin. Nooit eerder gezien, en nu ineens een nuttig ding.

Galatea

Het is nog vroeg. In de gracht puft een vermoeid bootje voorbij. In haar buik stoffige apparatuur. Achterop zitten twee mannen die er niet uitzien of ze bij machte zijn apparatuur van welke aard dan ook te kunnen bedienen. Schouders afgezakt, hand onder het hoofd, de rug gebogen van uitputting of pure verveling. Een draagt om alles te ontkennen een oranje werkersvest. Op de voorplecht van de schuit staat in parmantige letters: Galatea.

Meer Koet

In de Vaart liggen twee houten vlonders. Daarop werken mensen aan het herstel van de kademuur. De vlonders zitten met touwen vast gesnoerd aan de dichtstbijzijnde boom, en worden met diezelfde touwen als trekschuiten steeds een stukje kade verder geschoven.
Een meerkoet heeft op een van de vlonders een nest gebouwd. Een nest van plastic, afval en stukjes gras en hout. Ze heeft een ei. Zaterdagochend was het nest weg, het ei lag er nog. Gisteravond had het koetenpaar een nieuw mest gemaakt, en haastklus waar nog steeds aan gewerkt werd. Ma Koet zat op haar ei, en Pa sleepte nestmateriaal aan. Op de vlonder, netjes in de hoek.
Wij speculeerden nog: zouden de werkers zacht zijn voor het volgelpaar?
Vanochtend hoorde ik de drilboor al van verre trillen in de kademuur. De vlonderhoek was leeg en nat. Schoongemaakt. Er stond een schep op de plek waar het nest had gelegen. Van de Koeten geen spoor.

Volksbuurt cum zeloot

In mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje woont een zeloot. En deze zeloot is overactief. Eerst plakte hij (het is een hij, te oordelen aan de ongelapte ramen en de groezelige kozijnen van zijn residentie – ja, ik weet waar hij woont – niet omdat ik op de loer lig, maar omdat er een uitstalling van gedachtegoeduitingen op zijn ramen geplakt zijn en aan zijn balkonnetje wapperen), eerst plakte hij dus op vuilbakken, wildplakzuilen en kale muren zijn dringende aansporing dat we ons sneue leven moesten beteren, omdat Satan onder ons is, (Hel! Verdoemenis!), afgewisseld met het blijere ‘Jezus leeft!’. (Waarvan mij dan weer de logica ontgaat: als Hij leeft, waarom is de Satan dan zo schijnbaar oppermachtig? Dat leggen ze nou nooit eens bevredigend uit…)

Maar nu heeft de zeloot de verkeersborden ontdekt. En aangezien er in mijn gezellige Amsterdamse volksbuurtje altijd wel ergens een straat is opgebroken, zwerven er veel borden rond. Ideaal voor korte, krachtige leuzen.
Gestickerd wordt er ook volop, maar die uitingen zijn net een tikje gelikter, strakker, beeldender ook. Daar zit een meer gestroomlijnde cq. georganiseerde ideeënmaffia achter. Onze zeloot is een eenling, dorstend zwerft hij door zijn eigen woestijn.

Bontje en He-man

Mijn hond en ik maken onze ochtendwandeling. In een opengebroken straat – er is altijd wel een opengebroken straat in mijn buurtje – hoor ik hakken klikken op de ijzeren platen voor ik de draagster ervan uit de mist zie opdoemen. Haar broek is langer dan zij. Ze draagt er een kek jasje van op wolvenhaar gelijkend bont op. Naast haar een man, leren jack, muts over de oren. Zij zegt: ‘come on, she just wants to fuck you’. En ze lacht. Uit haar metgezel komt een grom (mijn hond spitst zijn oren) en daarna staat hij stil, steekt zijn armen in een overwinningsgebaar de lucht in en begint zich dan ritmisch op de borst te kloppen. Ik wilde dat ik mijn hond kon regisseren, dan liet ik hem ter plekke zijn prachtige wolfskreten slaken. Openingsscene van een film: Bontje, He-man, opengebroken straat, mist en gehuil als was het van een wolf. En dan inzoemen op het lijk. Fuck me, zou ze zeggen, Bontje, en He-man zou de armen slap naast zijn lijf laten hangen. Het gehuil zou wegsterven en overgaan in aanzwellende sirenes…

FFok what = love of de charitatieve reflex

Vanochtend, het is nog donker, wandel ik met mijn hond door de stille straten van mijn buurt. Langs de kade waar fietsen vastgeketend aan de reling de doorgang belemmeren, door het groenstrookje / speeltuintje bij de kinderboerderij – waar ik onlangs door een boze bejaarde bijna met een paraplu werd geslagen omdat ik met hond in een kinderspeeltuintje liep. Of ik het verbodsbord soms niet had gezien? Of ik niet wist dat de hondenpis tegen de klimhekken aan klotste en de stront aan de schommelpoten zat? Het hielp niet dat ik handenvol poepzakjes uit mijn jas trok en hem vertelde dat ik alle poep altijd opraapte, hij vond me een asociaal wijf. En ergens had hij natuurlijk wel een punt, maar dat terzijde. Tegen wil en dank moest ik, terwijl de parapluzwaaiende meneer weer richting zijn in een sussende woordenstroom gedrenkte eega strompelde, een beetje lachen om de absurditeit van alles.
Bij de uitgang van het parkje lag er toen een jonge man in een slaapzak tegen het gaas van de pannakooi te slapen, op een matras van afgevallen bladeren. Hij klemde met zijn schouder een rugzakje tegen het gaas.
Om het kinderboerderijparkje uit te komen, moet je door een anti-fietsenhek. Daar liggen meestal grote hompen brood, maar vandaag lag er voor de variatie peperkoek. Mijn hond is dol op alle vreten dat hij op straat vindt – en er ligt veel, heel veel eten op straat, alsof het mode is om je afhaalmaaltijd maar half te nuttigen en dan bij een struik achter te laten; maar een paar happen te nemen van je hamburger en de rest uit je handen te laten vallen waar je loopt; of de overgebleven croissants uit de familiezak op straat of naast de afvalbak te flikkeren, plastic en al – maar hij, mijn hond dus, mag van mij niet van de straat eten, want hij krijgt er buikpijn van en diarree. Dat eerste is vervelend voor de hond, dat laatste ook voor mij – denk aan de poepzakjes en stel je voor….
We steken een grote straat over. Het is te merken dat er weer een tandje bij de lockdown is gezet, want we kunnen direct doorlopen naar de overkant, terwijl het in de afgelopen weken bij dit oversteekpunt leek alsof tout Amsterdam gewoon weer naar het werk fietste en/of autoode. Ik loop langs het buurthuis, dat gisteren nog dienst deed als toevluchtsoord voor de door het leven niet ruim bedeelden, compleet met kerstlampjes en een uitnodigende ster voor het raam.
Er rijden nog wel wat ouders of verzorgers met bakfiets- of zelffietsende kinderen. Die laatsten hebben helmpjes op. Morgen is ook dat in de ochtenduren van de baan, en blijft alle kroost weer thuis bij hun steeds gestresster rakende, toch al overwerkte ouders die de eindejaarssprint nu moeten combineren met ervoor zorgen dat hun aandachtslurpende bundeltjes geluk hun huiswerk maken en de tent niet afbreken.
Mijn hond is bezig aan zijn snuffelstuk, elk sprietje groen, elke boom, elk paaltje, alle geveltuintjes, alles wordt besnuffeld en soms besproeid. Plotsteling schiet hij omhoog alsof hij auditie doet voor een tekenfilm. Hij schrikt van een bundel die tussen een geparkeerde auto en een boom ligt opgekruld. Even lijkt het op een buitenmodel vuilniszak, maar het is een mens, die ineengerold in een slaapzak in de boomkrans ligt, rugzakje beschermend voor zijn gezicht. Het regent zachtjes, de slaapzak glimt een beetje in het zwakke ochtendlicht.
Wij lopen door, hond en ik. Langs het café waar ze patat waren gaan verkopen maar dat nu dus nog dichter moet dan eerder. Door de opengebroken straat waar al dagen een put vol onwelriekend water het voortuintje vormt van een woonboot – die van de weeromstuit extra uitbundig is versierd met lampjes en een verlicht hert.
Over de markt, door het mooiste straatje van de buurt, nog een hoop nat brood omzeilend, komen we weer thuis.
Daar wacht het bericht dat onze lieve stad extra geld heeft uitgetrokken om de sloebers door de coronawinter heen te helpen in de vorm van onder andere extra voedselbankbonnen, gratis ouweklerenophaalpunten en een paar extra nachtopvangbedden.
Het wachten is nu op grootse aankondigingen van corona proof kerstsoep-uitdelingen en andere uitingen van de charitatieve reflex waar we massaal inschieten in ‘de donkere dagen’, omdat we structurele hulp en betere, eerlijker verdeling van goederen en geluk uiteindelijk toch weer net een politieke brug te ver vinden.

Amsterdamse ‘gekkies’

Gisteravond hielpen we een flink verwarde vrouw wier vliezen gebroken leken in een inderhaast gebelde ambulance. De vrouw wilde niet, terwijl we wachtten op de ziekenwagen stribbelde ze tegen, ze zou gerust naar huis lopen en niemand mocht er weet van krijgen dat zij … haar afweer werd onderbroken door iets wat in ons kinderloze lekenoog verdacht veel weg had van weeën. Haar dikke buik lag als een voetbal op haar lichaam. Haar mallot en schoenen waren nat. Ze zat gehurkt wijdbeens, en je verwachtte bijna een kinderkopje met kloppend fontanelletje door haar slipje te ontwaren. De ambulance arriveerde, met sirene en zwaailicht, wat de vrouw opnieuw in de paniek deed schieten.
Met de ambulance verscheen ook de buurtagent, met twee jonge collega’s in zijn kielzog. De buurtagent gromde ons opzij: ‘afstand houden’, en begon toen luid en onaangenaam te verhalen dat hij die vrouw zopas nog bij de McDonalds had gezien, en dat ze toen ook al liep te krampen, maar ja, ze wilde geen enkele hulp, dus ja, wat moet je dan? Het kwam de situatie in zijn geheel niet ten goede. We maakten toch maar een opmerking over dit onversneden gebrek aan empathie, waarna een van de jonge agenten de situatie redde door zich van zijn beste vriendelijke diender kant te tonen.
De efficiënte ambulancebroeders hielpen de inmiddels moegestribbelde vrouw in hun wagen, en wij vervolgde onze wandeling met de hond.

Vanochtend liepen we opnieuw met hond richting het park, en werden we aangesproken door een meneer die zijn thuis met zich meesleepte in een rolkoffertje. ‘Het komt door de mobile telefoons’, riep hij, ‘daar krijg je corona van. Ze vreten je vanbinnen op. Hier’, hij porde met een vinger in de lagen kleren voor zijn borst, ‘hier vreten ze alles op. Corona.’ Hij slofte door en wij hielden onze pas in, het was tenslotte nog voor negenen. Nog drie keer draaide de man zich om, om ons te waarschuwen: ‘geen mobile, daar krijg je corona van, het vreet je op, vanbinnen.’

In mijn huidige werkomgeving worden deze medeburgers onder de verzamelnaam ‘gekkies’ genoemd. Het schijnt dat er met de lockdown meer ‘gekkies’ op straat zwerven dan voorheen. Maar ik hoor ook zeggen dat ‘ze’ nu meer opvallen omdat er minder normale mensen en/of toeristen op de been zijn in de publieke ruimte. Alsof we nu pas weer goed zicht krijgen op hoe Amsterdam er zelf aan toe is.

Ach, zo’n pootje

Kijk de dood op straat liggen. Hoe hardvochtig is een woord als ‘roadkill’ als je goed kijkt: dat eenzame pootje, met ringetje er nog aan; en dat rattenhandje, uitgestrekt alsof dat helpt. Het konijntje ligt erbij alsof het slaapt, je zou het willen aaien (maar dat doe je niet, want hygiëne, en je weet nooit wat je ervan oplopen kan, zeker in deze onzekere tijden extra voorzichtig zijn!) De kringloop der dingen als wespen een verloren vogeltje hapje voor hapje opruimen. Zelf een ninja-achtig speeltje zonder voeten krijgt iets liefs…