FFok what = love of de charitatieve reflex

Vanochtend, het is nog donker, wandel ik met mijn hond door de stille straten van mijn buurt. Langs de kade waar fietsen vastgeketend aan de reling de doorgang belemmeren, door het groenstrookje / speeltuintje bij de kinderboerderij – waar ik onlangs door een boze bejaarde bijna met een paraplu werd geslagen omdat ik met hond in een kinderspeeltuintje liep. Of ik het verbodsbord soms niet had gezien? Of ik niet wist dat de hondenpis tegen de klimhekken aan klotste en de stront aan de schommelpoten zat? Het hielp niet dat ik handenvol poepzakjes uit mijn jas trok en hem vertelde dat ik alle poep altijd opraapte, hij vond me een asociaal wijf. En ergens had hij natuurlijk wel een punt, maar dat terzijde. Tegen wil en dank moest ik, terwijl de parapluzwaaiende meneer weer richting zijn in een sussende woordenstroom gedrenkte eega strompelde, een beetje lachen om de absurditeit van alles.
Bij de uitgang van het parkje lag er toen een jonge man in een slaapzak tegen het gaas van de pannakooi te slapen, op een matras van afgevallen bladeren. Hij klemde met zijn schouder een rugzakje tegen het gaas.
Om het kinderboerderijparkje uit te komen, moet je door een anti-fietsenhek. Daar liggen meestal grote hompen brood, maar vandaag lag er voor de variatie peperkoek. Mijn hond is dol op alle vreten dat hij op straat vindt – en er ligt veel, heel veel eten op straat, alsof het mode is om je afhaalmaaltijd maar half te nuttigen en dan bij een struik achter te laten; maar een paar happen te nemen van je hamburger en de rest uit je handen te laten vallen waar je loopt; of de overgebleven croissants uit de familiezak op straat of naast de afvalbak te flikkeren, plastic en al – maar hij, mijn hond dus, mag van mij niet van de straat eten, want hij krijgt er buikpijn van en diarree. Dat eerste is vervelend voor de hond, dat laatste ook voor mij – denk aan de poepzakjes en stel je voor….
We steken een grote straat over. Het is te merken dat er weer een tandje bij de lockdown is gezet, want we kunnen direct doorlopen naar de overkant, terwijl het in de afgelopen weken bij dit oversteekpunt leek alsof tout Amsterdam gewoon weer naar het werk fietste en/of autoode. Ik loop langs het buurthuis, dat gisteren nog dienst deed als toevluchtsoord voor de door het leven niet ruim bedeelden, compleet met kerstlampjes en een uitnodigende ster voor het raam.
Er rijden nog wel wat ouders of verzorgers met bakfiets- of zelffietsende kinderen. Die laatsten hebben helmpjes op. Morgen is ook dat in de ochtenduren van de baan, en blijft alle kroost weer thuis bij hun steeds gestresster rakende, toch al overwerkte ouders die de eindejaarssprint nu moeten combineren met ervoor zorgen dat hun aandachtslurpende bundeltjes geluk hun huiswerk maken en de tent niet afbreken.
Mijn hond is bezig aan zijn snuffelstuk, elk sprietje groen, elke boom, elk paaltje, alle geveltuintjes, alles wordt besnuffeld en soms besproeid. Plotsteling schiet hij omhoog alsof hij auditie doet voor een tekenfilm. Hij schrikt van een bundel die tussen een geparkeerde auto en een boom ligt opgekruld. Even lijkt het op een buitenmodel vuilniszak, maar het is een mens, die ineengerold in een slaapzak in de boomkrans ligt, rugzakje beschermend voor zijn gezicht. Het regent zachtjes, de slaapzak glimt een beetje in het zwakke ochtendlicht.
Wij lopen door, hond en ik. Langs het café waar ze patat waren gaan verkopen maar dat nu dus nog dichter moet dan eerder. Door de opengebroken straat waar al dagen een put vol onwelriekend water het voortuintje vormt van een woonboot – die van de weeromstuit extra uitbundig is versierd met lampjes en een verlicht hert.
Over de markt, door het mooiste straatje van de buurt, nog een hoop nat brood omzeilend, komen we weer thuis.
Daar wacht het bericht dat onze lieve stad extra geld heeft uitgetrokken om de sloebers door de coronawinter heen te helpen in de vorm van onder andere extra voedselbankbonnen, gratis ouweklerenophaalpunten en een paar extra nachtopvangbedden.
Het wachten is nu op grootse aankondigingen van corona proof kerstsoep-uitdelingen en andere uitingen van de charitatieve reflex waar we massaal inschieten in ‘de donkere dagen’, omdat we structurele hulp en betere, eerlijker verdeling van goederen en geluk uiteindelijk toch weer net een politieke brug te ver vinden.

Amsterdamse ‘gekkies’

Gisteravond hielpen we een flink verwarde vrouw wier vliezen gebroken leken in een inderhaast gebelde ambulance. De vrouw wilde niet, terwijl we wachtten op de ziekenwagen stribbelde ze tegen, ze zou gerust naar huis lopen en niemand mocht er weet van krijgen dat zij … haar afweer werd onderbroken door iets wat in ons kinderloze lekenoog verdacht veel weg had van weeën. Haar dikke buik lag als een voetbal op haar lichaam. Haar mallot en schoenen waren nat. Ze zat gehurkt wijdbeens, en je verwachtte bijna een kinderkopje met kloppend fontanelletje door haar slipje te ontwaren. De ambulance arriveerde, met sirene en zwaailicht, wat de vrouw opnieuw in de paniek deed schieten.
Met de ambulance verscheen ook de buurtagent, met twee jonge collega’s in zijn kielzog. De buurtagent gromde ons opzij: ‘afstand houden’, en begon toen luid en onaangenaam te verhalen dat hij die vrouw zopas nog bij de McDonalds had gezien, en dat ze toen ook al liep te krampen, maar ja, ze wilde geen enkele hulp, dus ja, wat moet je dan? Het kwam de situatie in zijn geheel niet ten goede. We maakten toch maar een opmerking over dit onversneden gebrek aan empathie, waarna een van de jonge agenten de situatie redde door zich van zijn beste vriendelijke diender kant te tonen.
De efficiënte ambulancebroeders hielpen de inmiddels moegestribbelde vrouw in hun wagen, en wij vervolgde onze wandeling met de hond.

Vanochtend liepen we opnieuw met hond richting het park, en werden we aangesproken door een meneer die zijn thuis met zich meesleepte in een rolkoffertje. ‘Het komt door de mobile telefoons’, riep hij, ‘daar krijg je corona van. Ze vreten je vanbinnen op. Hier’, hij porde met een vinger in de lagen kleren voor zijn borst, ‘hier vreten ze alles op. Corona.’ Hij slofte door en wij hielden onze pas in, het was tenslotte nog voor negenen. Nog drie keer draaide de man zich om, om ons te waarschuwen: ‘geen mobile, daar krijg je corona van, het vreet je op, vanbinnen.’

In mijn huidige werkomgeving worden deze medeburgers onder de verzamelnaam ‘gekkies’ genoemd. Het schijnt dat er met de lockdown meer ‘gekkies’ op straat zwerven dan voorheen. Maar ik hoor ook zeggen dat ‘ze’ nu meer opvallen omdat er minder normale mensen en/of toeristen op de been zijn in de publieke ruimte. Alsof we nu pas weer goed zicht krijgen op hoe Amsterdam er zelf aan toe is.

Ach, zo’n pootje

Kijk de dood op straat liggen. Hoe hardvochtig is een woord als ‘roadkill’ als je goed kijkt: dat eenzame pootje, met ringetje er nog aan; en dat rattenhandje, uitgestrekt alsof dat helpt. Het konijntje ligt erbij alsof het slaapt, je zou het willen aaien (maar dat doe je niet, want hygiëne, en je weet nooit wat je ervan oplopen kan, zeker in deze onzekere tijden extra voorzichtig zijn!) De kringloop der dingen als wespen een verloren vogeltje hapje voor hapje opruimen. Zelf een ninja-achtig speeltje zonder voeten krijgt iets liefs…

Het ligt open

Al maanden nu ligt mijn straat open, eerst het stuk van de markt tot aan de leukste boekwinkel van West (Sterre der Zee), nu het gedeelte waar ik aan woon, en daarna volgt nog het laatste deel. Het gaat allemaal op z’n elf-en-dertigst, het duurt zo’n beetje tot de zomer voor de boel weer lekker aan kant is. Niet dat er niet gestaag doorgewerkt wordt, heus wel, maar het vordert gewoon niet snel. Eerst wordt de straat opengegooid omdat de elektriciteit vernieuwd moet worden. Dan gaat de straat weer dicht, om opnieuw opengemaakt te worden, nu om de riolering te vernieuwen. Bij vorst of echt ontij werkt men niet.
Voor elke klus komen andere ZZP’ers in actie, onder verschillende aannemers.
(Tijdens het werk aan het eerste gedeelte van de straat raakten twee werkmannen gewond omdat een graafmachine een stroomkabel raakte, waarop een ontploffing volgde. Een van de mannen werd met zware brandwonden naar het ziekenhuis gebracht. Dat ongeluk voel je een beetje natrillen als je vloer beweegt onder de pressie van de langsrijdende rupsbanden).
Sinds kort staat er, pal voor mijn raam, een pomp te pompen om water af te wateren. Dat is overdag best vervelend, erg wordt het als het donker is, en de doorgaans troostende stilte van de nacht wordt verstoord door luidruchtig gepomp, gezuig en gerochel van water dat wordt afgevoerd, geluiden die met gemak tot achter in het huis doordringen, ondanks de dubbele ramen.
Overal staan hekken, veel hekken, en op de te smalle stroken die als stoep resten liggen wiebelende ijzeren of stalen platen in de modder. Bij een van mijn buren staat een schaftkeet bijkans in zijn voorkamer, je moet tussen raam en keet voorbijschuiven om op het volgende stuk stoep te geraken. (Mijn hond moet eerst, of ik, samen tegelijk gaat niet).
Het is afzien.
Maar als het goed is en we tijd van leven hebben, krijgen we er een fraaie straat voor terug, met minder auto’s, meer fietsparkeerruimte, veel meer groen en toekomstbestendige regenwaterafdrijving.

(elf-en-dertigst: Volgens de verklaring van taalkundige F.A. Stoett in diens werk Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) had op zijn elfendertigst te maken met de trage wijze waarop de Staten van Friesland, bestaande uit de afgevaardigden van 11 steden en 30 grietenijen, overlegden.)

Ontwakende stad

Vanmorgen opende ik rond half acht de voordeur om met hond Dinah te gaan wandelen. Vanaf de linkerhoek van de straat blonk een hard-blauwig licht en klonk onheilspellend gerommel en gebeuk. Vanaf de rechterhoek golfde felgeel licht de nog donkere straat in om de eerste bulldozers die bezig zijn de opengegraven straat weer dicht te gooien bij te lichten. Door de straat walmde een geur van schroeiend rubber en brandend plastic. Dinah, meestal toch opgewekt als er na een nacht rust naar buiten gegaan kan worden, kromp ineen. Hij moest overgehaald worden om zich in beweging te zetten. We kozen voor de richting van het gele licht, ook omdat van die kant het minste gedreun kwam.
Dinah, schrikkerig en geagiteerd, liep zo snel als hij kon langs de hekken waarmee de openliggende straat is afgezet, tot aan de hoofdweg, die we overstaken. Richting park.
Maar zover kwamen we niet, want het Vredespleintje bij de school wordt omgewoeld, de betonnen tribune wordt met drilboren aan gruzels gedrild, en Dinah voelde er weinig voor de voortgang van het vernieuwingsproject van dichtbij te bekijken. Verderop, aan de kade werd ook al gewerkt, met dezelfde felle lichten, met veel gedender en – zeker voor hondenoren – onbestemde geluiden. We maakten rechtsomkeert, dan maar geen park, en we namen smalle, rustige buurtstraatjes waar het nog gewoon licht werd en waar hondlief tot rust kon komen tussen de bloembakken die op de stoepen voor de woonboten de wegen een parkige aanblik geven.

Ik begrijp best dat er gewerkt moet worden, dat een stad onderhoud behoeft. Ik snap ook dat dat overlast geeft en gedoe en te volle vuilbakken en nergens je fiets kwijt kunnen en kilo’s zand je huis in lopen, en andere overkomelijke rottigheid, zoals schichtige dieren die er niks van begrijpen dat hun vertrouwde plekjes erbij liggen als open wonden. Maar wat ik niet snap is dat er ‘s morgens om zeven uur knalharde verlichting op het werk moet worden gezet en dat er op dat helse tijdstip lawaai gemaakt moet worden alsof de wereld vergaat. Kan dat niet gewoon op een mens-, kind- en diervriendelijker tijdstip? Als het al licht is? En dan doorwerken tot vijf uur in plaats van rond drie uur, half vier opbreken? Of, als het gaat winteren, stoppen als het donker wordt? Volgens mij is dat win-win-win: een blije buurt (inclusief blije dieren), werkers die zich niet bij nacht en ontij naar een karwei hoeven slepen, en ook nog bakken energie besparen.